pikeren
werkwoordBetekenis
- met kleine steekjes doornaaien
- aanstrepen
- ergeren, prikkelen, irriteren
- vlees inrijgen met reepjes spek, truffel, ham enzovoort, larderen
- inprikken van een deeglaag om blazen te voorkomen
Vervoeging van pikeren
pikerenhele werkwoord — pikeerdeverleden tijd enkelvoud — pikeerdenverleden tijd meervoud — gepikeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pikeer | pikeerde |
| jij | pikeert | pikeerde |
| hij, zij, het | pikeert | pikeerde |
| wij | pikeren | pikeerden |
| jullie | pikeren | pikeerden |
| zij | pikeren | pikeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepikeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepikeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepikeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepikeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepikeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepikeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepikeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepikeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepikeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepikeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepikeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepikeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepikeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepikeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepikeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepikeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepikeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepikeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepikeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepikeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepikeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepikeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepikeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepikeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepikeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepikeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepikeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pikeer | gebiedende wijs |
| pikeerde | verleden tijd |
| pikere | aanvoegende wijs |
| pikerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepikeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pikeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pikeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepikeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepikeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepikeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepikeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepikeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepikeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepikeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepikeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepikeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepikeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepikeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepikeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepikeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepikeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepikeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepikeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pikeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepikeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepikeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepikeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pikeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘irriteren’ voor het eerst aangetroffen in 1631
Woordfamilie van pikeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepikeerd | voltooid deelwoord | pikeren |
| pikeer | gebiedende wijs | pikeren |
| pikeerde | verleden tijd | pikeren |
| pikeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pikeren |
| pikeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pikeren |
| pikere | aanvoegende wijs | pikeren |
| pikerend | onvoltooid deelwoord | pikeren |
| pikerende | woordvorm | pikeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pikeren zijn vastgelegd.