piket
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- paaltje, piketpaal
- troep soldaten of wacht die meteen moet kunnen ingrijpen
- groep personen die met spandoeken etc. probeert een staking af te dwingen
- kaartspel gespeeld door twee personen met 32 kaarten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| piketje | verkleinwoord, enkelvoud |
| piketjes | verkleinwoord, meervoud |
| piketten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van piketten
- gebiedende wijs van piketten
Vervoeging van piket
pikethele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘troep die direct kan uitrukken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1783
Woordfamilie van piket
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| piketje | verkleinwoord | piket |
| piketjes | verkleinwoord meervoud | piket |
| piketten | meervoud | piket |
| pikette | woordvorm | piketten |
| pikettende | woordvorm | piketten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piket zijn vastgelegd.