peigeren
werkwoordBetekenis
- doodgaan, sterven, creperen
Vervoeging van peigeren
peigerenhele werkwoord — peigerdeverleden tijd enkelvoud — peigerdenverleden tijd meervoud — gepeigerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | peiger | peigerde |
| jij | peigert | peigerde |
| hij, zij, het | peigert | peigerde |
| wij | peigeren | peigerden |
| jullie | peigeren | peigerden |
| zij | peigeren | peigerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepeigerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepeigerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepeigerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepeigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepeigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepeigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepeigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepeigerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| peiger | gebiedende wijs |
| peigerde | verleden tijd |
| peigere | aanvoegende wijs |
| peigerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepeigerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te peigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen peigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen peigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult peigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
herkomst Bargoens, afgeleid van het Jiddische 'peigeren' en het Hebreeuws 'pèger' (lijk, cadaver)
Woordfamilie van peigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepeigerd | voltooid deelwoord | peigeren |
| peigerde | verleden tijd | peigeren |
| peigerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | peigeren |
| peigere | aanvoegende wijs | peigeren |
| peigerend | onvoltooid deelwoord | peigeren |
| peigerende | woordvorm | peigeren |
| peigert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | peigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van peigeren zijn vastgelegd.