Naar de inhoud

afpeigeren

afmatten, dodelijk vermoeien, uitputten

afpeigeren

werkwoord

werkwoord

  1. afmatten, dodelijk vermoeien, uitputten informal, transitive

Vervoeging van afpeigeren

afpeigerenhele werkwoord — peigerde afverleden tijd enkelvoud — peigerden afverleden tijd meervoud — afgepeigerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik peiger af peigerde af
jij peigert af peigerde af
hij, zij, het peigert af peigerde af
wij peigeren af peigerden af
jullie peigeren af peigerden af
zij peigeren af peigerden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te peigeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen peigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal peigeren bijzin, toekomende tijd
af zou peigeren bijzin, voorwaardelijk
af zouden peigeren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt peigeren bijzin, voorwaardelijk
af zullen peigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen peigeren bijzin, toekomende tijd
af zult peigeren bijzin, toekomende tijd
afgepeigerd verleden tijd, deelwoord
afgepeigerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgepeigerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgepeigerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgepeigerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgepeigerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgepeigerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgepeigerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgepeigerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgepeigerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgepeigerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afpeiger bijzin, tegenwoordige tijd
afpeigerde bijzin, verleden tijd
afpeigerden bijzin, verleden tijd
afpeigerend onvoltooid, deelwoord
afpeigert bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgepeigerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgepeigerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgepeigerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgepeigerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgepeigerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgepeigerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgepeigerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgepeigerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgepeigerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgepeigerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgepeigerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgepeigerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgepeigerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgepeigerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgepeigerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgepeigerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
peiger af gebiedende wijs
peigerde af verleden tijd
te hebben afgepeigerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afpeigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgepeigerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgepeigerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgepeigerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgepeigerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgepeigerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgepeigerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgepeigerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgepeigerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgepeigerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgepeigerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afpeigeren bijzin, toekomende tijd
zijn afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgepeigerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afpeigeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afpeigeren af zou(dt) peigeren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afpeigeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgepeigerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgepeigerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afpeigeren bijzin, voorwaardelijk
zullen afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgepeigerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgepeigerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgepeigerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgepeigerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afpeigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afpeigeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afpeigeren bijzin, toekomende tijd
zult afgepeigerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

(Bargoens) samenstelling van af bw en peigeren ww

Woordfamilie van afpeigeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afpeiger subordinate-clause, tegenwoordige tijd afpeigeren
afpeigerde subordinate-clause, verleden tijd afpeigeren
afpeigerden subordinate-clause, verleden tijd afpeigeren
afpeigere with-subordinate-clause afpeigeren
afpeigerend onvoltooid deelwoord afpeigeren
afpeigerende woordvorm afpeigeren
afpeigert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afpeigeren
peiger af gebiedende wijs afpeigeren
peigerde af verleden tijd afpeigeren
peigerden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afpeigeren
peigere af woordvorm afpeigeren
peigeren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afpeigeren
peigert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afpeigeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afpeigeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afpeigeren

Wat is de betekenis van afpeigeren?
Afpeigeren is een werkwoord. De betekenis is: afmatten, dodelijk vermoeien, uitputten.
Hoe vervoeg ik afpeigeren?
Zo vervoeg je afpeigeren zo: het voltooid deelwoord is afgepeigerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afpeigeren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 3
  4. E 1
  5. I 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afpeigeren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. P 4
  4. E 1
  5. I 2
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afpeigeren in het kort

afpeigeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afpeigeren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afpeigeren bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afpeigeren: afmatten, dodelijk vermoeien, uitputten
Deel afpeigeren — standaardnederlands.nl