afpeigeren
werkwoordwerkwoord
- afmatten, dodelijk vermoeien, uitputten informal, transitive
Vervoeging van afpeigeren
afpeigerenhele werkwoord — peigerde afverleden tijd enkelvoud — peigerden afverleden tijd meervoud — afgepeigerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | peiger af | peigerde af |
| jij | peigert af | peigerde af |
| hij, zij, het | peigert af | peigerde af |
| wij | peigeren af | peigerden af |
| jullie | peigeren af | peigerden af |
| zij | peigeren af | peigerden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te peigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen peigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal peigeren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou peigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden peigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt peigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen peigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen peigeren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult peigeren | bijzin, toekomende tijd |
| afgepeigerd | verleden tijd, deelwoord |
| afgepeigerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgepeigerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgepeigerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgepeigerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgepeigerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgepeigerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgepeigerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgepeigerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgepeigerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgepeigerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afpeiger | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afpeigerde | bijzin, verleden tijd |
| afpeigerden | bijzin, verleden tijd |
| afpeigerend | onvoltooid, deelwoord |
| afpeigert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgepeigerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgepeigerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgepeigerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgepeigerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgepeigerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgepeigerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgepeigerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgepeigerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgepeigerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| peiger af | gebiedende wijs |
| peigerde af | verleden tijd |
| te hebben afgepeigerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afpeigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgepeigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgepeigerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgepeigerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgepeigerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afpeigeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgepeigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afpeigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afpeigeren af zou(dt) peigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afpeigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgepeigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgepeigerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afpeigeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgepeigerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgepeigerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgepeigerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgepeigerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afpeigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afpeigeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afpeigeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgepeigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
(Bargoens) samenstelling van af bw en peigeren ww
Woordfamilie van afpeigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afpeiger | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afpeigeren |
| afpeigerde | subordinate-clause, verleden tijd | afpeigeren |
| afpeigerden | subordinate-clause, verleden tijd | afpeigeren |
| afpeigere | with-subordinate-clause | afpeigeren |
| afpeigerend | onvoltooid deelwoord | afpeigeren |
| afpeigerende | woordvorm | afpeigeren |
| afpeigert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afpeigeren |
| peiger af | gebiedende wijs | afpeigeren |
| peigerde af | verleden tijd | afpeigeren |
| peigerden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afpeigeren |
| peigere af | woordvorm | afpeigeren |
| peigeren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afpeigeren |
| peigert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afpeigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afpeigeren zijn vastgelegd.