park
zelfstandig naamwoord /pɑrᵊk/Betekenis
- groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
- park
- een gebied of stadion waarin sporten worden beoefend
- parkeren
Hoe spreek je park uit?
/pɑrək/
Park bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- verzameling gelijksoortige apparaten of goederen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parken | meervoud |
| parkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘publieke wandeltuin’ voor het eerst aangetroffen in 1661
Woordfamilie van park
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parken | meervoud | park |
| parkje | verkleinwoord | park |
| parkjes | verkleinwoord meervoud | park |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van park zijn vastgelegd.