parka
zelfstandig naamwoord ˈpɑrkaBetekenis
- lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuïts
Hoe spreek je parka uit?
/ˈpɑrka/
Parka bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| k | kat |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon, oorspronkelijk een kledingstuk van de Inuïts
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parka's | meervoud |
Herkomst
via Engels parka, Russisch па́рка (párka) en Aleoetisch parkaale van Toendra-Nenets парка (parka), in de betekenis van ‘pooljak’ aangetroffen in 1959
Woordfamilie van parka
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parka's | meervoud | parka |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parka zijn vastgelegd.