parasiteren
werkwoordBetekenis
- zich ten koste van een ander organisme in stand houden
- gebruik maken van anderen zonder daar iets voor terug te doen
Vervoeging van parasiteren
parasiterenhele werkwoord — parasiteerdeverleden tijd enkelvoud — parasiteerdenverleden tijd meervoud — geparasiteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | parasiteer | parasiteerde |
| jij | parasiteert | parasiteerde |
| hij, zij, het | parasiteert | parasiteerde |
| wij | parasiteren | parasiteerden |
| jullie | parasiteren | parasiteerden |
| zij | parasiteren | parasiteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geparasiteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geparasiteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geparasiteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geparasiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geparasiteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geparasiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| parasiteer | gebiedende wijs |
| parasiteerde | verleden tijd |
| parasitere | aanvoegende wijs |
| parasiterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geparasiteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te parasiteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen parasiteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geparasiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen parasiteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geparasiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult parasiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse parasiter (met het voorvoegsel para- met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van parasiteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geparasiteerd | voltooid deelwoord | parasiteren |
| parasiteer | gebiedende wijs | parasiteren |
| parasiteerde | verleden tijd | parasiteren |
| parasiteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | parasiteren |
| parasiteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | parasiteren |
| parasitere | aanvoegende wijs | parasiteren |
| parasiterend | onvoltooid deelwoord | parasiteren |
| parasiterende | woordvorm | parasiteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parasiteren zijn vastgelegd.