Naar de inhoud

overstaan

tegenover iets staan

overstaan

werkwoord

Betekenis

  1. tegenover iets staan
  2. iets een tijdje laten staan

Vervoeging van overstaan

overstaanhele werkwoord — overstondverleden tijd enkelvoud — overstondenverleden tijd meervoud — overstaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik oversta overstond
jij overstaat overstond
hij, zij, het overstaat overstond
wij overstaan overstonden
jullie overstaan overstonden
zij overstaan overstonden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had overstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
oversta gebiedende wijs
oversta aanvoegende wijs
overstaan verleden tijd, deelwoord
overstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overstaand onvoltooid, deelwoord
overstond verleden tijd
te hebben overstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen overstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van overstaan

Vervoeging van overstaan

overstaanhele werkwoord — overstondverleden tijd enkelvoud — overstondenverleden tijd meervoud — overstaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik oversta overstond
jij overstaat overstond
hij, zij, het overstaat overstond
wij overstaan overstonden
jullie overstaan overstonden
zij overstaan overstonden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had overstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overstaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overstaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overstaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overstaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
oversta gebiedende wijs
oversta aanvoegende wijs
overstaan verleden tijd, deelwoord
overstaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overstaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overstaand onvoltooid, deelwoord
overstond verleden tijd
te hebben overstaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overstaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt overstaan aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overstaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen overstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult overstaan aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overstaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van over en staan

Woordfamilie van overstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
oversta gebiedende wijs overstaan
overstaand onvoltooid deelwoord overstaan
overstaat aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overstaan
overstond verleden tijd overstaan
overstonden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overstaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overstaan

Wat is de betekenis van overstaan?
Overstaan is een werkwoord. De betekenis is: tegenover iets staan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik overstaan?
Zo vervoeg je overstaan zo: de tegenwoordige tijd is oversta, de verleden tijd is overstond en het voltooid deelwoord is overstaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overstaan is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overstaan levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. A 1
  8. A 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overstaan in het kort

overstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van overstaan staan er 31 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort overstaan bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

overstaan: tegenover iets staan
Deel overstaan — standaardnederlands.nl