overstaan
werkwoordBetekenis
- tegenover iets staan
- iets een tijdje laten staan
Vervoeging van overstaan
overstaanhele werkwoord — overstondverleden tijd enkelvoud — overstondenverleden tijd meervoud — overstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oversta | overstond |
| jij | overstaat | overstond |
| hij, zij, het | overstaat | overstond |
| wij | overstaan | overstonden |
| jullie | overstaan | overstonden |
| zij | overstaan | overstonden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had overstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oversta | gebiedende wijs |
| oversta | aanvoegende wijs |
| overstaan | verleden tijd, deelwoord |
| overstaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overstaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overstaand | onvoltooid, deelwoord |
| overstond | verleden tijd |
| te hebben overstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen overstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van overstaan
Vervoeging van overstaan
overstaanhele werkwoord — overstondverleden tijd enkelvoud — overstondenverleden tijd meervoud — overstaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oversta | overstond |
| jij | overstaat | overstond |
| hij, zij, het | overstaat | overstond |
| wij | overstaan | overstonden |
| jullie | overstaan | overstonden |
| zij | overstaan | overstonden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had overstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overstaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overstaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overstaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overstaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oversta | gebiedende wijs |
| oversta | aanvoegende wijs |
| overstaan | verleden tijd, deelwoord |
| overstaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overstaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overstaand | onvoltooid, deelwoord |
| overstond | verleden tijd |
| te hebben overstaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overstaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overstaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen overstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult overstaan | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overstaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over en staan
Woordfamilie van overstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oversta | gebiedende wijs | overstaan |
| overstaand | onvoltooid deelwoord | overstaan |
| overstaat | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overstaan |
| overstond | verleden tijd | overstaan |
| overstonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overstaan zijn vastgelegd.