overroepen
werkwoordBetekenis
- overdreven prijzen
Vervoeging van overroepen
overroepenhele werkwoord — overriepverleden tijd enkelvoud — overriepenverleden tijd meervoud — overroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overroep | overriep |
| jij | overroept | overriep |
| hij, zij, het | overroept | overriep |
| wij | overroepen | overriepen |
| jullie | overroepen | overriepen |
| zij | overroepen | overriepen |
Alle 26 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| overriep | verleden tijd |
| overroep | gebiedende wijs |
| overroepe | aanvoegende wijs |
| overroepen | verleden tijd, deelwoord |
| overroepen te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overroepen zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overroepend | onvoltooid, deelwoord |
| te overroepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van overroepen
Vervoeging van overroepen
overroepenhele werkwoord — overriepverleden tijd enkelvoud — overriepenverleden tijd meervoud — overroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overroep | overriep |
| jij | overroept | overriep |
| hij, zij, het | overroept | overriep |
| wij | overroepen | overriepen |
| jullie | overroepen | overriepen |
| zij | overroepen | overriepen |
Alle 26 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| overriep | verleden tijd |
| overroep | gebiedende wijs |
| overroepe | aanvoegende wijs |
| overroepen | verleden tijd, deelwoord |
| overroepen te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overroepen zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overroepend | onvoltooid, deelwoord |
| te overroepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over en roepen
Woordfamilie van overroepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overriep | verleden tijd | overroepen |
| overriepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overroepen |
| overroep | gebiedende wijs | overroepen |
| overroepe | aanvoegende wijs | overroepen |
| overroepend | onvoltooid deelwoord | overroepen |
| overroepende | woordvorm | overroepen |
| overroept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overroepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overroepen zijn vastgelegd.