Naar de inhoud

oriënteren

richten

oriënteren

werkwoord

Betekenis

  1. richten
  2. richten volgens het kompas
  3. voorlichten, inzicht geven
  4. zich ~: inzicht trachten te verkrijgen, nagaan waar men zich bevindt, zich inwerken

Vervoeging van oriënteren

oriënterenhele werkwoord — oriënteerdeverleden tijd enkelvoud — oriënteerdenverleden tijd meervoud — georiënteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik oriënteer oriënteerde
jij oriënteert oriënteerde
hij, zij, het oriënteert oriënteerde
wij oriënteren oriënteerden
jullie oriënteren oriënteerden
zij oriënteren oriënteerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is georiënteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was georiënteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd georiënteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt georiënteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal georiënteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal georiënteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou georiënteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou georiënteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
georiënteerd verleden tijd, deelwoord
georiënteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
georiënteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
georiënteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
georiënteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
georiënteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
georiënteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
georiënteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
georiënteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
georiënteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
georiënteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had georiënteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had georiënteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had georiënteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden georiënteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden georiënteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden georiënteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt georiënteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben georiënteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
oriënteer gebiedende wijs
oriënteer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
oriënteer u/je , oriënteert je gebiedende wijs
oriënteerde verleden tijd
oriënteerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
oriënteerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
oriënteerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
oriënteerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
oriënteerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
oriënteerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
oriënteerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
oriënteerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
oriënteerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
oriënteerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
oriënteert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
oriënteert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
oriënteert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
oriënteert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
oriënteert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
oriënteert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
oriëntere aanvoegende wijs
oriëntere zich aanvoegende wijs
oriënteren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
oriënteren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
oriënteren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
oriënterend onvoltooid, deelwoord
te hebben georiënteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te oriënteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oriënteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart georiënteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren georiënteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren georiënteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren georiënteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was georiënteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was georiënteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was georiënteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt georiënteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal georiënteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal georiënteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal georiënteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal georiënteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal georiënteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me oriënteren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich oriënteren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je oriënteren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich georiënteerd hebben verleden tijd
zich oriënterend onvoltooid, deelwoord
zijn georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt georiënteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt georiënteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt georiënteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oriënteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen georiënteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen georiënteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen georiënteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen georiënteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Van het Franse orienter (met het achtervoegsel -eren). Verder via orient zn te herleiden tot Latijn oriens. .

Woordfamilie van oriënteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
oriënteer gebiedende wijs oriënteren
oriënteerde verleden tijd oriënteren
oriënteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oriënteren
oriënteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oriënteren
oriëntere aanvoegende wijs oriënteren
oriënterend onvoltooid deelwoord oriënteren
oriënterende woordvorm oriënteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oriënteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over oriënteren

Wat betekent oriënteren?
Oriënteren is een werkwoord. Het woord betekent: richten. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oriënteren?
Je vervoegt oriënteren als volgt: de tegenwoordige tijd is oriënteer, de verleden tijd is oriënteerde en het voltooid deelwoord is georiënteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oriënteren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. R 2
  3. I 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oriënteren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. R 2
  3. I 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 14 zonder bonus
  12. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (R) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oriënteren in het kort

oriënteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oriënteren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oriënteren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oriënteren: richten
Deel oriënteren — standaardnederlands.nl