navigeren
werkwoordBetekenis
- plannen en volgen van een route op een schip, een vliegtuig etc.
- schipperen, omzichtig te werk gaan in de omgang met mensen
- internetten, surfen
Vervoeging van navigeren
navigerenhele werkwoord — navigeerdeverleden tijd enkelvoud — navigeerdenverleden tijd meervoud — genavigeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | navigeer | navigeerde |
| jij | navigeert | navigeerde |
| hij, zij, het | navigeert | navigeerde |
| wij | navigeren | navigeerden |
| jullie | navigeren | navigeerden |
| zij | navigeren | navigeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| genavigeerd | verleden tijd, deelwoord |
| genavigeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genavigeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genavigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genavigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genavigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genavigeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genavigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genavigeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genavigeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genavigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genavigeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| navigeer | gebiedende wijs |
| navigeerde | verleden tijd |
| navigere | aanvoegende wijs |
| navigerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genavigeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te navigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen navigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genavigeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen navigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genavigeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult navigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een schip vakkundig besturen’ voor het eerst aangetroffen in 1613
Woordfamilie van navigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genavigeerd | voltooid deelwoord | navigeren |
| navigeer | gebiedende wijs | navigeren |
| navigeerde | verleden tijd | navigeren |
| navigeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | navigeren |
| navigeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | navigeren |
| navigere | aanvoegende wijs | navigeren |
| navigerend | onvoltooid deelwoord | navigeren |
| navigerende | woordvorm | navigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van navigeren zijn vastgelegd.