Naar de inhoud

ordonneren

bevelen

ordonneren

werkwoord

Betekenis

  1. bevelen
  2. schikken, ordenen

Vervoeging van ordonneren

ordonnerenhele werkwoord — ordonneerdeverleden tijd enkelvoud — ordonneerdenverleden tijd meervoud — geordonneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ordonneer ordonneerde
jij ordonneert ordonneerde
hij, zij, het ordonneert ordonneerde
wij ordonneren ordonneerden
jullie ordonneren ordonneerden
zij ordonneren ordonneerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geordonneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geordonneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geordonneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geordonneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geordonneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geordonneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geordonneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geordonneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geordonneerd verleden tijd, deelwoord
geordonneerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geordonneerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geordonneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geordonneerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geordonneerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geordonneerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geordonneerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geordonneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geordonneerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geordonneerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geordonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geordonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geordonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geordonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geordonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geordonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geordonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geordonneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ordonneer gebiedende wijs
ordonneerde verleden tijd
ordonnere aanvoegende wijs
ordonnerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geordonneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ordonneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ordonneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geordonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geordonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geordonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geordonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geordonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geordonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geordonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geordonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geordonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geordonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geordonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geordonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geordonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geordonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geordonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geordonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ordonneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geordonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geordonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geordonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ordonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevelen’ voor het eerst aangetroffen in 1520

Woordfamilie van ordonneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geordonneerd voltooid deelwoord ordonneren
geordonneerde woordvorm ordonneren
ordonneer gebiedende wijs ordonneren
ordonneerde verleden tijd ordonneren
ordonneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ordonneren
ordonneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ordonneren
ordonnere aanvoegende wijs ordonneren
ordonnerend onvoltooid deelwoord ordonneren
ordonnerende woordvorm ordonneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ordonneren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over ordonneren

Wat betekent ordonneren?
Ordonneren is een werkwoord. Het woord betekent: bevelen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je ordonneren?
Je vervoegt ordonneren als volgt: de tegenwoordige tijd is ordonneer, de verleden tijd is ordonneerde en het voltooid deelwoord is geordonneerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ordonneren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. R 2
  3. D 2
  4. O 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ordonneren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. R 2
  3. D 2
  4. O 1
  5. N 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 13 zonder bonus
  12. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (R) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ordonneren in het kort

ordonneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van ordonneren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ordonneren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ordonneren: bevelen
Deel ordonneren — standaardnederlands.nl