ordineren
werkwoordBetekenis
- de priesterwijding geven
Vervoeging van ordineren
ordinerenhele werkwoord — ordineerdeverleden tijd enkelvoud — ordineerdenverleden tijd meervoud — geordineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ordineer | ordineerde |
| jij | ordineert | ordineerde |
| hij, zij, het | ordineert | ordineerde |
| wij | ordineren | ordineerden |
| jullie | ordineren | ordineerden |
| zij | ordineren | ordineerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geordineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geordineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geordineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geordineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geordineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geordineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geordineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geordineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geordineerd | verleden tijd, deelwoord |
| geordineerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geordineerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geordineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geordineerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geordineerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geordineerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geordineerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geordineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geordineerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geordineerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geordineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ordineer | gebiedende wijs |
| ordineerde | verleden tijd |
| ordinere | aanvoegende wijs |
| ordinerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geordineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ordineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ordineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geordineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geordineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geordineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geordineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geordineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geordineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geordineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ordineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geordineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geordineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geordineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ordineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse ordiner met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van ordineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geordineerd | voltooid deelwoord | ordineren |
| geordineerde | woordvorm | ordineren |
| ordineer | gebiedende wijs | ordineren |
| ordineerde | verleden tijd | ordineren |
| ordineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ordineren |
| ordineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ordineren |
| ordinere | aanvoegende wijs | ordineren |
| ordinerend | onvoltooid deelwoord | ordineren |
| ordinerende | woordvorm | ordineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ordineren zijn vastgelegd.