Naar de inhoud

opzijzetten

als minder belangrijk beschouwen

opzijzetten

werkwoord ɔpˈsɛizɛtə(n)

Betekenis

  1. als minder belangrijk beschouwen

Hoe spreek je opzijzetten uit?

/ɔpˈsɛizɛtən/

Opzijzetten bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔpˈsɛizɛtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
s sok
ɛi trein
z zon
ɛ bed
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. naar links of rechts verplaatsen transitive
  2. een veel minder belangrijke plaats geven figuratively, transitive
  3. niet uitgeven, maar bewaren voor de toekomst transitive

Vervoeging van opzijzetten

opzijzettenhele werkwoord — zette opzijverleden tijd enkelvoud — zetten opzijverleden tijd meervoud — opzijgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet opzij zette opzij
jij zet opzij zette opzij
hij, zij, het zet opzij zette opzij
wij zetten opzij zetten opzij
jullie zetten opzij zetten opzij
zij zetten opzij zetten opzij
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opzijgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opzijgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opzijgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opzijgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opzijgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opzijgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opzijgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opzijgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opzijgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
opzij te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzij te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzij zal zetten bijzin, toekomende tijd
opzij zou zetten bijzin, voorwaardelijk
opzij zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
opzij zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
opzij zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzij zullen zetten bijzin, toekomende tijd
opzij zult zetten bijzin, toekomende tijd
opzijgezet verleden tijd, deelwoord
opzijgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzijgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzijgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opzijgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opzijgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijzet bijzin, tegenwoordige tijd
opzijzette bijzin, verleden tijd
opzijzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben opzijgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opzijzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opzijzetten bijzin, toekomende tijd
zet opzij gebiedende wijs
zette opzij verleden tijd
zijn opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opzijzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opzijzetten opzij zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opzijzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opzijzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opzijzetten bijzin, toekomende tijd
zult opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van opzijzetten

Vervoeging van opzijzetten

opzijzettenhele werkwoord — zette opzijverleden tijd enkelvoud — zetten opzijverleden tijd meervoud — opzijgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet opzij zette opzij
jij zet opzij zette opzij
hij, zij, het zet opzij zette opzij
wij zetten opzij zetten opzij
jullie zetten opzij zetten opzij
zij zetten opzij zetten opzij
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opzijgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opzijgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opzijgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opzijgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opzijgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opzijgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opzijgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opzijgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opzijgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
opzij te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzij te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzij zal zetten bijzin, toekomende tijd
opzij zou zetten bijzin, voorwaardelijk
opzij zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
opzij zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
opzij zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzij zullen zetten bijzin, toekomende tijd
opzij zult zetten bijzin, toekomende tijd
opzijgezet verleden tijd, deelwoord
opzijgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzijgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzijgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opzijgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opzijgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijzet bijzin, tegenwoordige tijd
opzijzette bijzin, verleden tijd
opzijzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben opzijgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opzijzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opzijgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opzijgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opzijgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opzijgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opzijzetten bijzin, toekomende tijd
zet opzij gebiedende wijs
zette opzij verleden tijd
zijn opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opzijgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opzijzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opzijzetten opzij zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opzijzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opzijgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opzijzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzijzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opzijzetten bijzin, toekomende tijd
zult opzijgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opzijgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opzijgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van opzij bw en zetten ww

Woordfamilie van opzijzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opzijgezet voltooid deelwoord opzijzetten
opzijgezette woordvorm opzijzetten
opzijzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd opzijzetten
opzijzette subordinate-clause, verleden tijd opzijzetten
opzijzettend onvoltooid deelwoord opzijzetten
opzijzettende woordvorm opzijzetten
zet opzij gebiedende wijs opzijzetten
zette opzij verleden tijd opzijzetten
zetten opzij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opzijzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opzijzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opzijzetten

Hoe spreek ik opzijzetten uit?
Zo spreek je opzijzetten uit: /ɔpˈsɛizɛtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van opzijzetten?
Opzijzetten is een werkwoord. De betekenis is: als minder belangrijk beschouwen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opzijzetten?
Zo vervoeg je opzijzetten zo: het voltooid deelwoord is opzijgezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opzijzetten is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. Z 4
  4. I 1
  5. J 4
  6. Z 4
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opzijzetten levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. Z 5
  4. I 2
  5. J 4
  6. Z 5
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 28 zonder bonus
  13. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opzijzetten in het kort

opzijzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opzijzetten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opzijzetten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opzijzetten: als minder belangrijk beschouwen
Deel opzijzetten — standaardnederlands.nl