opzijzetten
werkwoord ɔpˈsɛizɛtə(n)Betekenis
- als minder belangrijk beschouwen
Hoe spreek je opzijzetten uit?
/ɔpˈsɛizɛtən/
Opzijzetten bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- naar links of rechts verplaatsen transitive
- een veel minder belangrijke plaats geven figuratively, transitive
- niet uitgeven, maar bewaren voor de toekomst transitive
Vervoeging van opzijzetten
opzijzettenhele werkwoord — zette opzijverleden tijd enkelvoud — zetten opzijverleden tijd meervoud — opzijgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet opzij | zette opzij |
| jij | zet opzij | zette opzij |
| hij, zij, het | zet opzij | zette opzij |
| wij | zetten opzij | zetten opzij |
| jullie | zetten opzij | zetten opzij |
| zij | zetten opzij | zetten opzij |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opzijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opzijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opzijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opzijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opzijgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opzijgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opzijgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opzijgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opzijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| opzij te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opzij te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzij zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opzij zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| opzij zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| opzij zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| opzij zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzij zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opzij zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opzijgezet | verleden tijd, deelwoord |
| opzijgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzijgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opzijgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opzijgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzijgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzijgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzijzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opzijzette | bijzin, verleden tijd |
| opzijzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opzijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opzijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opzijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet opzij | gebiedende wijs |
| zette opzij | verleden tijd |
| zijn opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opzijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opzijzetten opzij zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opzijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opzijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opzijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opzijzetten
Vervoeging van opzijzetten
opzijzettenhele werkwoord — zette opzijverleden tijd enkelvoud — zetten opzijverleden tijd meervoud — opzijgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet opzij | zette opzij |
| jij | zet opzij | zette opzij |
| hij, zij, het | zet opzij | zette opzij |
| wij | zetten opzij | zetten opzij |
| jullie | zetten opzij | zetten opzij |
| zij | zetten opzij | zetten opzij |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opzijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opzijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opzijgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opzijgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opzijgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opzijgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opzijgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opzijgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opzijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| opzij te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opzij te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzij zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opzij zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| opzij zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| opzij zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| opzij zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzij zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opzij zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opzijgezet | verleden tijd, deelwoord |
| opzijgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzijgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opzijgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opzijgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opzijgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzijgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzijgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzijzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opzijzette | bijzin, verleden tijd |
| opzijzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opzijgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opzijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opzijgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opzijgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opzijgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opzijgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opzijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet opzij | gebiedende wijs |
| zette opzij | verleden tijd |
| zijn opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opzijgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opzijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opzijzetten opzij zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opzijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opzijgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzijgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opzijzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzijzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opzijzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opzijzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opzijgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opzijgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opzijgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van opzij bw en zetten ww
Woordfamilie van opzijzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opzijgezet | voltooid deelwoord | opzijzetten |
| opzijgezette | woordvorm | opzijzetten |
| opzijzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opzijzetten |
| opzijzette | subordinate-clause, verleden tijd | opzijzetten |
| opzijzettend | onvoltooid deelwoord | opzijzetten |
| opzijzettende | woordvorm | opzijzetten |
| zet opzij | gebiedende wijs | opzijzetten |
| zette opzij | verleden tijd | opzijzetten |
| zetten opzij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opzijzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opzijzetten zijn vastgelegd.