opzetten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- in volume toenemen, met name van lichaamsdelen
- op het vuur zetten
- beginnen lawaai te maken
- taxidermie bedrijven
- een tent klaar maken voor gebruik
werkwoord
- op touw zetten, oprichten, stichten, vestigen [1] transitive
- op het vuur zetten (v. voedsel) transitive
- een tent klaarmaken voor gebruik transitive
- bewust een bepaalde gelaatsuitdrukking tonen
Vervoeging van opzetten
opzettenhele werkwoord — zette opverleden tijd enkelvoud — zetten opverleden tijd meervoud — opgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet op | zette op |
| jij | zet op | zette op |
| hij, zij, het | zet op | zette op |
| wij | zetten op | zetten op |
| jullie | zetten op | zetten op |
| zij | zetten op | zetten op |
Alle 116 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgezet | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was opgezet | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd opgezet | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt opgezet | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgezet worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgezet zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou opgezet worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou opgezet zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben opgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| opgezet | verleden tijd, deelwoord |
| opgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgezet te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgezet zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opzette | bijzin, verleden tijd |
| opzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn opgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet op | gebiedende wijs |
| zette op | verleden tijd |
| zijn opgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opzetten op zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opzetten op zult/zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opzet
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opzetten
Vervoeging van opzetten
opzettenhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van op en zetten
Woordfamilie van opzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opzette | subordinate-clause, verleden tijd | opzetten |
| opzettend | onvoltooid deelwoord | opzetten |
| opzettende | woordvorm | opzetten |
| zet op | gebiedende wijs | opzetten |
| zette op | verleden tijd | opzetten |
| zetten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opzetten zijn vastgelegd.