Naar de inhoud

opzetten

in volume toenemen, met name van lichaamsdelen

opzetten is meer dan één woord

opzetten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. in volume toenemen, met name van lichaamsdelen
  2. op het vuur zetten
  3. beginnen lawaai te maken
  4. taxidermie bedrijven
  5. een tent klaar maken voor gebruik

werkwoord

  1. op touw zetten, oprichten, stichten, vestigen [1] transitive
  2. op het vuur zetten (v. voedsel) transitive
  3. een tent klaarmaken voor gebruik transitive
  4. bewust een bepaalde gelaatsuitdrukking tonen

Vervoeging van opzetten

opzettenhele werkwoord — zette opverleden tijd enkelvoud — zetten opverleden tijd meervoud — opgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet op zette op
jij zet op zette op
hij, zij, het zet op zette op
wij zetten op zetten op
jullie zetten op zetten op
zij zetten op zetten op
Alle 116 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgezet impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was opgezet impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd opgezet impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt opgezet impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgezet worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgezet zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou opgezet worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou opgezet zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben opgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal zetten bijzin, toekomende tijd
op zou zetten bijzin, voorwaardelijk
op zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
op zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen zetten bijzin, toekomende tijd
op zult zetten bijzin, toekomende tijd
opgezet verleden tijd, deelwoord
opgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgezet te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgezet zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzet bijzin, tegenwoordige tijd
opzette bijzin, verleden tijd
opzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn opgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opzetten bijzin, toekomende tijd
zet op gebiedende wijs
zette op verleden tijd
zijn opgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opzetten op zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opzetten bijzin, toekomende tijd
zult opgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal opzetten op zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord opzet

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van opzetten

Vervoeging van opzetten

opzettenhele werkwoord

Herkomst

samenstelling van op en zetten

Woordfamilie van opzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opzette subordinate-clause, verleden tijd opzetten
opzettend onvoltooid deelwoord opzetten
opzettende woordvorm opzetten
zet op gebiedende wijs opzetten
zette op verleden tijd opzetten
zetten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opzetten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over opzetten

Wat is de betekenis van opzetten?
Opzetten is een werkwoord. De betekenis is: in volume toenemen, met name van lichaamsdelen. In totaal staan er 9 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opzetten?
Zo vervoeg je opzetten zo: het voltooid deelwoord is opgezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opzetten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. Z 4
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opzetten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. Z 5
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opzetten in het kort

opzetten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 9 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opzetten staan er 72 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opzetten bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opzetten: in volume toenemen, met name van lichaamsdelen
Deel opzetten — standaardnederlands.nl