opwerpen
werkwoord ˈɔpwɛrpə(n)Betekenis
- als onderdeel van een betoog presenteren
- een dijk of heuvel bouwen
Hoe spreek je opwerpen uit?
/ˈɔpwɛrpən/
Opwerpen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opwerpen
opwerpenhele werkwoord — wierp opverleden tijd enkelvoud — wierpen opverleden tijd meervoud — opgeworpenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werp op | wierp op |
| jij | werpt op | wierp op |
| hij, zij, het | werpt op | wierp op |
| wij | werpen op | wierpen op |
| jullie | werpen op | wierpen op |
| zij | werpen op | wierpen op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeworpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeworpen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeworpen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeworpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeworpen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeworpen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeworpen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeworpen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te werpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal werpen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen werpen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult werpen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeworpen | verleden tijd, deelwoord |
| opgeworpen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeworpen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeworpen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeworpen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeworpen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeworpen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeworpen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeworpen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeworpen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeworpen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opwerp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwerpend | onvoltooid, deelwoord |
| opwerpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwierp | bijzin, verleden tijd |
| opwierpen | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgeworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opwerpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werp op | gebiedende wijs |
| wierp op | verleden tijd |
| word opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeworpen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeworpen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeworpen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opwerpen op zou(dt) werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeworpen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeworpen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeworpen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeworpen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeworpen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opwerpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en werpen
Woordfamilie van opwerpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opwerp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwerpen |
| opwerpe | with-subordinate-clause | opwerpen |
| opwerpend | onvoltooid deelwoord | opwerpen |
| opwerpende | woordvorm | opwerpen |
| opwerpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwerpen |
| opwierp | subordinate-clause, verleden tijd | opwerpen |
| opwierpen | subordinate-clause, verleden tijd | opwerpen |
| werp op | gebiedende wijs | opwerpen |
| werpe op | woordvorm | opwerpen |
| werpen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opwerpen |
| werpt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opwerpen |
| wierp op | verleden tijd | opwerpen |
| wierpen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opwerpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwerpen zijn vastgelegd.