opvoeren
werkwoordBetekenis
- doen toenemen
- als argument bijdragen
- op het toneel laten zien
- ten einde voederen
Vervoeging van opvoeren
opvoerenhele werkwoord — voerde opverleden tijd enkelvoud — voerden opverleden tijd meervoud — opgevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer op | voerde op |
| jij | voert op | voerde op |
| hij, zij, het | voert op | voerde op |
| wij | voeren op | voerden op |
| jullie | voeren op | voerden op |
| zij | voeren op | voerden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgevoerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgevoerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgevoerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgevoerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| opgevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| opgevoerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevoerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevoerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevoerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevoerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opvoer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opvoerde | bijzin, verleden tijd |
| opvoerden | bijzin, verleden tijd |
| opvoerend | onvoltooid, deelwoord |
| opvoert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer op | gebiedende wijs |
| voerde op | verleden tijd |
| waart opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opvoeren op zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opvaren
Vervoeging van opvoeren
opvoerenhele werkwoord — voerde opverleden tijd enkelvoud — voerden opverleden tijd meervoud — opgevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer op | voerde op |
| jij | voert op | voerde op |
| hij, zij, het | voert op | voerde op |
| wij | voeren op | voerden op |
| jullie | voeren op | voerden op |
| zij | voeren op | voerden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgevoerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgevoerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgevoerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgevoerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgevoerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgevoerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| opgevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| opgevoerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevoerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevoerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevoerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevoerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevoerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opvoer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opvoerde | bijzin, verleden tijd |
| opvoerden | bijzin, verleden tijd |
| opvoerend | onvoltooid, deelwoord |
| opvoert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer op | gebiedende wijs |
| voerde op | verleden tijd |
| waart opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgevoerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opvoeren op zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevoerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opvoeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgevoerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevoerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opvoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opvoeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opvoeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en voeren
Woordfamilie van opvoeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgevoerd | voltooid deelwoord | opvoeren |
| opvoerde | subordinate-clause, verleden tijd | opvoeren |
| opvoerden | subordinate-clause, verleden tijd | opvoeren |
| opvoere | with-subordinate-clause | opvoeren |
| opvoerend | onvoltooid deelwoord | opvoeren |
| opvoerende | woordvorm | opvoeren |
| opvoert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opvoeren |
| voerde op | verleden tijd | opvoeren |
| voerden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opvoeren |
| voere op | woordvorm | opvoeren |
| voert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opvoeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvoeren zijn vastgelegd.