Naar de inhoud

opsturen

met de post verzenden

opsturen

werkwoord

Betekenis

  1. met de post verzenden

Vervoeging van opsturen

opsturenhele werkwoord — stuurde opverleden tijd enkelvoud — stuurden opverleden tijd meervoud — opgestuurdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stuur op stuurde op
jij stuurt op stuurde op
hij, zij, het stuurt op stuurde op
wij sturen op stuurden op
jullie sturen op stuurden op
zij sturen op stuurden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgestuurd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgestuurd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgestuurd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgestuurd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgestuurd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgestuurd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgestuurd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgestuurd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgestuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgestuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgestuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgestuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgestuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgestuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgestuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgestuurd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te sturen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen sturen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal sturen bijzin, toekomende tijd
op zou sturen bijzin, voorwaardelijk
op zouden sturen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt sturen bijzin, voorwaardelijk
op zullen sturen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen sturen bijzin, toekomende tijd
op zult sturen bijzin, toekomende tijd
opgestuurd verleden tijd, deelwoord
opgestuurd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgestuurd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgestuurd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestuurd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestuurd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestuurd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgestuurd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgestuurd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgestuurd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgestuurd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opsturend onvoltooid, deelwoord
opstuur bijzin, tegenwoordige tijd
opstuurde bijzin, verleden tijd
opstuurden bijzin, verleden tijd
opstuurt bijzin, tegenwoordige tijd
stuur op gebiedende wijs
stuurde op verleden tijd
te hebben opgestuurd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opsturen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgestuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgestuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgestuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgestuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgestuurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgestuurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgestuurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgestuurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgestuurd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestuurd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opsturen bijzin, toekomende tijd
zijn opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgestuurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opsturen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opsturen op zou(dt) sturen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opsturen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgestuurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgestuurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opsturen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgestuurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgestuurd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgestuurd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgestuurd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opsturen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opsturen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opsturen bijzin, toekomende tijd
zult opgestuurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en sturen

Woordfamilie van opsturen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgestuurd voltooid deelwoord opsturen
opgestuurde woordvorm opsturen
opsture with-subordinate-clause opsturen
opsturend onvoltooid deelwoord opsturen
opsturende woordvorm opsturen
opstuur subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsturen
opstuurde subordinate-clause, verleden tijd opsturen
opstuurden subordinate-clause, verleden tijd opsturen
opstuurt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsturen
sture op woordvorm opsturen
sturen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opsturen
stuur op gebiedende wijs opsturen
stuurde op verleden tijd opsturen
stuurden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opsturen
stuurt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opsturen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsturen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opsturen

Wat is de betekenis van opsturen?
Opsturen is een werkwoord. De betekenis is: met de post verzenden.
Hoe vervoeg ik opsturen?
Zo vervoeg je opsturen zo: het voltooid deelwoord is opgestuurd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opsturen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. T 2
  5. U 4
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opsturen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. U 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opsturen in het kort

opsturen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opsturen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opsturen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opsturen: met de post verzenden
Deel opsturen — standaardnederlands.nl