opstoten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- wild opjagen
- vanuit de maag omhoogkomen (van zuur, onverteerd voedsel)
Vervoeging van opstoten
opstotenhele werkwoord — stiet opverleden tijd enkelvoud — stieten opverleden tijd meervoud — opgestotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stoot op | stiet op |
| jij | stoot op | stiet op |
| hij, zij, het | stoot op | stiet op |
| wij | stoten op | stieten op |
| jullie | stoten op | stieten op |
| zij | stoten op | stieten op |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgestoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgestoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgestoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgestoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgestoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgestoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgestoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgestoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te stoten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal stoten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen stoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen stoten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult stoten | bijzin, toekomende tijd |
| opgestoten | verleden tijd, deelwoord |
| opgestoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opstiet | bijzin, verleden tijd |
| opstieten | bijzin, verleden tijd |
| opstoot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstootte | bijzin, verleden tijd |
| opstootten | bijzin, verleden tijd |
| opstotend | onvoltooid, deelwoord |
| stiet op | verleden tijd |
| stoot op | gebiedende wijs |
| stootte op | verleden tijd |
| te hebben opgestoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opstoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgestoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgestoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgestoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgestoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opstoten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgestoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opstoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opstoten op zou(dt) stoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opstoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgestoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opstoten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgestoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opstoten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opstoten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opstoot
Herkomst
samenstelling van op en stoten
Woordfamilie van opstoten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgestoten | voltooid deelwoord | opstoten |
| opstiet | subordinate-clause, verleden tijd | opstoten |
| opstieten | subordinate-clause, verleden tijd | opstoten |
| opstootte | subordinate-clause, verleden tijd | opstoten |
| opstootten | subordinate-clause, verleden tijd | opstoten |
| opstote | with-subordinate-clause | opstoten |
| opstotend | onvoltooid deelwoord | opstoten |
| opstotende | woordvorm | opstoten |
| stiet op | verleden tijd | opstoten |
| stieten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opstoten |
| stoot op | gebiedende wijs | opstoten |
| stootte op | verleden tijd | opstoten |
| stootten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opstoten |
| stote op | woordvorm | opstoten |
| stoten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opstoten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstoten zijn vastgelegd.