Naar de inhoud

opspuiten

een stuk ondiep water verlanden door een mengsel van zand en water erop aan te brengen en het water weg te laten zakken

opspuiten

werkwoord

Betekenis

  1. een stuk ondiep water verlanden door een mengsel van zand en water erop aan te brengen en het water weg te laten zakken
  2. spuitend omhoogschieten
  3. spuitend iets opbrengen
  4. alle kanten ~ snel in alle richtingen vliegen of spuiten

Vervoeging van opspuiten

opspuitenhele werkwoord — spoot opverleden tijd enkelvoud — spoten opverleden tijd meervoud — opgespotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spuit op spoot op
jij spuit op spoot op
hij, zij, het spuit op spoot op
wij spuiten op spoten op
jullie spuiten op spoten op
zij spuiten op spoten op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgespoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgespoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgespoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgespoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgespoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgespoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgespoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgespoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgespoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te spuiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen spuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal spuiten bijzin, toekomende tijd
op zou spuiten bijzin, voorwaardelijk
op zouden spuiten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt spuiten bijzin, voorwaardelijk
op zullen spuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen spuiten bijzin, toekomende tijd
op zult spuiten bijzin, toekomende tijd
opgespoten verleden tijd, deelwoord
opgespoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgespoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgespoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgespoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgespoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgespoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgespoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opspoot bijzin, verleden tijd
opspoten bijzin, verleden tijd
opspuit bijzin, tegenwoordige tijd
opspuitend onvoltooid, deelwoord
spoot op verleden tijd
spuit op gebiedende wijs
te hebben opgespoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opspuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgespoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgespoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgespoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgespoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgespoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opspuiten bijzin, toekomende tijd
zijn opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgespoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opspuiten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opspuiten op zou(dt) spuiten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opspuiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgespoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgespoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opspuiten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgespoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opspuiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opspuiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opspuiten bijzin, toekomende tijd
zult opgespoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgespoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en spuiten

Woordfamilie van opspuiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgespoten voltooid deelwoord opspuiten
opspoot subordinate-clause, verleden tijd opspuiten
opspoten subordinate-clause, verleden tijd opspuiten
opspuit subordinate-clause, tegenwoordige tijd opspuiten
opspuite with-subordinate-clause opspuiten
opspuitend onvoltooid deelwoord opspuiten
opspuitende woordvorm opspuiten
spoot op verleden tijd opspuiten
spoten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opspuiten
spuit op gebiedende wijs opspuiten
spuite op woordvorm opspuiten
spuiten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opspuiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opspuiten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opspuiten

Wat is de betekenis van opspuiten?
Opspuiten is een werkwoord. De betekenis is: een stuk ondiep water verlanden door een mengsel van zand en water erop aan te brengen en het water weg te laten zakken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opspuiten?
Zo vervoeg je opspuiten zo: het voltooid deelwoord is opgespoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opspuiten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. P 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opspuiten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. P 4
  5. U 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opspuiten in het kort

opspuiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opspuiten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opspuiten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opspuiten: een stuk ondiep water verlanden door een mengsel van zand en water erop aan te brengen en het water weg te laten zakken
Deel opspuiten — standaardnederlands.nl