Naar de inhoud

opspringen

in de hoogte springen

opspringen

werkwoord

Betekenis

  1. in de hoogte springen

Vervoeging van opspringen

opspringenhele werkwoord — sprong opverleden tijd enkelvoud — sprongen opverleden tijd meervoud — opgesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring op sprong op
jij springt op sprong op
hij, zij, het springt op sprong op
wij springen op sprongen op
jullie springen op sprongen op
zij springen op sprongen op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal springen bijzin, toekomende tijd
op zou springen bijzin, voorwaardelijk
op zouden springen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
op zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen springen bijzin, toekomende tijd
op zult springen bijzin, toekomende tijd
opgesprongen verleden tijd, deelwoord
opgesprongen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesprongen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opspring bijzin, tegenwoordige tijd
opspringend onvoltooid, deelwoord
opspringt bijzin, tegenwoordige tijd
opsprong bijzin, verleden tijd
opsprongen bijzin, verleden tijd
spring op gebiedende wijs
sprong op verleden tijd
te zijn opgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opspringen bijzin, toekomende tijd
zijn opgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opspringen op zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opspringen bijzin, toekomende tijd
zult opgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opspringen op zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en springen ww

Woordfamilie van opspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgesprongen voltooid deelwoord opspringen
opspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd opspringen
opspringe with-subordinate-clause opspringen
opspringend onvoltooid deelwoord opspringen
opspringende woordvorm opspringen
opspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opspringen
opsprong subordinate-clause, verleden tijd opspringen
opsprongen subordinate-clause, verleden tijd opspringen
spring op gebiedende wijs opspringen
springe op woordvorm opspringen
springen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opspringen
springt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opspringen
sprong op verleden tijd opspringen
sprongen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opspringen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opspringen

Wat is de betekenis van opspringen?
Opspringen is een werkwoord. De betekenis is: in de hoogte springen.
Hoe vervoeg ik opspringen?
Zo vervoeg je opspringen zo: het voltooid deelwoord is opgesprongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opspringen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. P 3
  5. R 2
  6. I 1
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opspringen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. P 4
  5. R 2
  6. I 2
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opspringen in het kort

opspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opspringen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opspringen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opspringen: in de hoogte springen
Deel opspringen — standaardnederlands.nl