opspringen
werkwoordBetekenis
- in de hoogte springen
Vervoeging van opspringen
opspringenhele werkwoord — sprong opverleden tijd enkelvoud — sprongen opverleden tijd meervoud — opgesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring op | sprong op |
| jij | springt op | sprong op |
| hij, zij, het | springt op | sprong op |
| wij | springen op | sprongen op |
| jullie | springen op | sprongen op |
| zij | springen op | sprongen op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| opgesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| opgesprongen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgesprongen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opspringend | onvoltooid, deelwoord |
| opspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opsprong | bijzin, verleden tijd |
| opsprongen | bijzin, verleden tijd |
| spring op | gebiedende wijs |
| sprong op | verleden tijd |
| te zijn opgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opspringen op zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opspringen op zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en springen ww
Woordfamilie van opspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgesprongen | voltooid deelwoord | opspringen |
| opspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opspringen |
| opspringe | with-subordinate-clause | opspringen |
| opspringend | onvoltooid deelwoord | opspringen |
| opspringende | woordvorm | opspringen |
| opspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opspringen |
| opsprong | subordinate-clause, verleden tijd | opspringen |
| opsprongen | subordinate-clause, verleden tijd | opspringen |
| spring op | gebiedende wijs | opspringen |
| springe op | woordvorm | opspringen |
| springen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opspringen |
| springt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opspringen |
| sprong op | verleden tijd | opspringen |
| sprongen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opspringen zijn vastgelegd.