Naar de inhoud

opspelden

een voorwerp, vaak een ereteken, middels een speld op een kledingstuk aanbrengen

opspelden

werkwoord

Betekenis

  1. een voorwerp, vaak een ereteken, middels een speld op een kledingstuk aanbrengen
  2. tweede betekenisomschrijving.
  3. enz.

Vervoeging van opspelden

opspeldenhele werkwoord — speldde opverleden tijd enkelvoud — speldden opverleden tijd meervoud — opgespeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speld op speldde op
jij speldt op speldde op
hij, zij, het speldt op speldde op
wij spelden op speldden op
jullie spelden op speldden op
zij spelden op speldden op
Alle 206 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgespeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgespeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgespeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgespeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgespeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgespeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgespeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgespeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
had opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt opgespeld gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgespeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgespeld gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
op te spelden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen spelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal spelden bijzin, toekomende tijd
op zou spelden bijzin, voorwaardelijk
op zouden spelden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt spelden bijzin, voorwaardelijk
op zullen spelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen spelden bijzin, toekomende tijd
op zult spelden bijzin, toekomende tijd
opgespeld verleden tijd, deelwoord
opgespeld gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgespeld gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgespeld gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespeld gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgespeld krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgespeld te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgespeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgespeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgespeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespeld te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgespeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgespeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgespeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgespeld zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgespeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgespeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opspeld bijzin, tegenwoordige tijd
opspeldde bijzin, verleden tijd
opspeldden bijzin, verleden tijd
opspeldend onvoltooid, deelwoord
opspeldt bijzin, tegenwoordige tijd
speld op gebiedende wijs
speldde op verleden tijd
te hebben opgespeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opspelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgespeld gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespeld gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgespeld krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespeld krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opspelden bijzin, toekomende tijd
zijn opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgespeld gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgespeld gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgespeld gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgespeld krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgespeld krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en spelden ww

Woordfamilie van opspelden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgespeld voltooid deelwoord opspelden
opgespelde woordvorm opspelden
opspeld subordinate-clause, tegenwoordige tijd opspelden
opspeldde subordinate-clause, verleden tijd opspelden
opspeldden subordinate-clause, verleden tijd opspelden
opspelde with-subordinate-clause opspelden
opspeldend onvoltooid deelwoord opspelden
opspeldende woordvorm opspelden
opspeldt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opspelden
speld op gebiedende wijs opspelden
speldde op verleden tijd opspelden
speldden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opspelden
spelde op woordvorm opspelden
spelden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opspelden
speldt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opspelden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opspelden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opspelden

Wat betekent opspelden?
Opspelden is een werkwoord. Het woord betekent: een voorwerp, vaak een ereteken, middels een speld op een kledingstuk aanbrengen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opspelden?
Je vervoegt opspelden als volgt: het voltooid deelwoord is opgespeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opspelden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opspelden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opspelden in het kort

opspelden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opspelden zijn 121 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opspelden bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opspelden: een voorwerp, vaak een ereteken, middels een speld op een kledingstuk aanbrengen
Deel opspelden — standaardnederlands.nl