opspelden
werkwoordBetekenis
- een voorwerp, vaak een ereteken, middels een speld op een kledingstuk aanbrengen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van opspelden
opspeldenhele werkwoord — speldde opverleden tijd enkelvoud — speldden opverleden tijd meervoud — opgespeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speld op | speldde op |
| jij | speldt op | speldde op |
| hij, zij, het | speldt op | speldde op |
| wij | spelden op | speldden op |
| jullie | spelden op | speldden op |
| zij | spelden op | speldden op |
Alle 206 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgespeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgespeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgespeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgespeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgespeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgespeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt opgespeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgespeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| op te spelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal spelden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen spelden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult spelden | bijzin, toekomende tijd |
| opgespeld | verleden tijd, deelwoord |
| opgespeld gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgespeld gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgespeld gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgespeld gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgespeld krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgespeld te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgespeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgespeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgespeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgespeld te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgespeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgespeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgespeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgespeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgespeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgespeld zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgespeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgespeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opspeld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opspeldde | bijzin, verleden tijd |
| opspeldden | bijzin, verleden tijd |
| opspeldend | onvoltooid, deelwoord |
| opspeldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| speld op | gebiedende wijs |
| speldde op | verleden tijd |
| te hebben opgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgespeld gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgespeld gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgespeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgespeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgespeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgespeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgespeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgespeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgespeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en spelden ww
Woordfamilie van opspelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgespeld | voltooid deelwoord | opspelden |
| opgespelde | woordvorm | opspelden |
| opspeld | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opspelden |
| opspeldde | subordinate-clause, verleden tijd | opspelden |
| opspeldden | subordinate-clause, verleden tijd | opspelden |
| opspelde | with-subordinate-clause | opspelden |
| opspeldend | onvoltooid deelwoord | opspelden |
| opspeldende | woordvorm | opspelden |
| opspeldt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opspelden |
| speld op | gebiedende wijs | opspelden |
| speldde op | verleden tijd | opspelden |
| speldden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opspelden |
| spelde op | woordvorm | opspelden |
| spelden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opspelden |
| speldt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opspelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opspelden zijn vastgelegd.