opspelen
werkwoordBetekenis
- op een vervelende manier ergens wat van merken
- uitvaren, zich heftig uiten
- een kaart spelen bij een kaartspel
Vervoeging van opspelen
opspelenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘op zijn poot spelen, razen’ voor het eerst aangetroffen in 1806
Woordfamilie van opspelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgespeeld | woordvorm | opspelen |
| opgespeelde | woordvorm | opspelen |
| opspeel | with-subordinate-clause | opspelen |
| opspeelde | with-subordinate-clause | opspelen |
| opspeelden | with-subordinate-clause | opspelen |
| opspeelt | with-subordinate-clause | opspelen |
| opspele | with-subordinate-clause | opspelen |
| opspelend | woordvorm | opspelen |
| opspelende | woordvorm | opspelen |
| speel op | woordvorm | opspelen |
| speelde op | woordvorm | opspelen |
| speelden op | woordvorm | opspelen |
| speelt op | woordvorm | opspelen |
| spele op | woordvorm | opspelen |
| spelen op | woordvorm | opspelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opspelen zijn vastgelegd.