Naar de inhoud

opsmukken

zorgen dat iets of iemand er mooier uitziet

opsmukken

werkwoord

Betekenis

  1. zorgen dat iets of iemand er mooier uitziet

Vervoeging van opsmukken

opsmukkenhele werkwoord — smukte opverleden tijd enkelvoud — smukten opverleden tijd meervoud — opgesmuktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik smuk op smukte op
jij smukt op smukte op
hij, zij, het smukt op smukte op
wij smukken op smukten op
jullie smukken op smukten op
zij smukken op smukten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgesmukt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgesmukt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgesmukt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgesmukt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgesmukt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgesmukt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgesmukt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgesmukt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgesmukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgesmukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgesmukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgesmukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgesmukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgesmukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgesmukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesmukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te smukken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen smukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal smukken bijzin, toekomende tijd
op zou smukken bijzin, voorwaardelijk
op zouden smukken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt smukken bijzin, voorwaardelijk
op zullen smukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen smukken bijzin, toekomende tijd
op zult smukken bijzin, toekomende tijd
opgesmukt verleden tijd, deelwoord
opgesmukt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesmukt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgesmukt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesmukt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesmukt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgesmukt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesmukt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgesmukt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesmukt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgesmukt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opsmuk bijzin, tegenwoordige tijd
opsmukkend onvoltooid, deelwoord
opsmukt bijzin, tegenwoordige tijd
opsmukte bijzin, verleden tijd
opsmukten bijzin, verleden tijd
smuk op gebiedende wijs
smukte op verleden tijd
te hebben opgesmukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opsmukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgesmukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesmukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgesmukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgesmukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgesmukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgesmukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgesmukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgesmukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgesmukt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgesmukt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opsmukken bijzin, toekomende tijd
zijn opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgesmukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opsmukken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opsmukken op zou(dt) smukken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opsmukken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgesmukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgesmukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opsmukken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgesmukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgesmukt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgesmukt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgesmukt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opsmukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opsmukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opsmukken bijzin, toekomende tijd
zult opgesmukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en smukken

Woordfamilie van opsmukken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgesmukt voltooid deelwoord opsmukken
opsmuk subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsmukken
opsmukke with-subordinate-clause opsmukken
opsmukkend onvoltooid deelwoord opsmukken
opsmukkende woordvorm opsmukken
opsmukt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsmukken
opsmukte subordinate-clause, verleden tijd opsmukken
opsmukten subordinate-clause, verleden tijd opsmukken
smuk op gebiedende wijs opsmukken
smukke op woordvorm opsmukken
smukken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opsmukken
smukt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opsmukken
smukte op verleden tijd opsmukken
smukten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opsmukken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsmukken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opsmukken

Wat is de betekenis van opsmukken?
Opsmukken is een werkwoord. De betekenis is: zorgen dat iets of iemand er mooier uitziet.
Hoe vervoeg ik opsmukken?
Zo vervoeg je opsmukken zo: het voltooid deelwoord is opgesmukt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opsmukken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. M 3
  5. U 4
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opsmukken levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. M 3
  5. U 2
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opsmukken in het kort

opsmukken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opsmukken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opsmukken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opsmukken: zorgen dat iets of iemand er mooier uitziet
Deel opsmukken — standaardnederlands.nl