opslokken
werkwoordBetekenis
- heel of in grote brokken inslikken
werkwoord
- door verovering toevoegen aan het eigen land figuratively
Vervoeging van opslokken
opslokkenhele werkwoord — slokte opverleden tijd enkelvoud — slokten opverleden tijd meervoud — opgesloktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slok op | slokte op |
| jij | slokt op | slokte op |
| hij, zij, het | slokt op | slokte op |
| wij | slokken op | slokten op |
| jullie | slokken op | slokten op |
| zij | slokken op | slokten op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeslokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeslokt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeslokt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeslokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeslokt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeslokt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeslokt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeslokt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeslokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeslokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeslokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeslokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeslokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeslokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeslokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeslokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te slokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen slokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal slokken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou slokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden slokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt slokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen slokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen slokken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult slokken | bijzin, toekomende tijd |
| opgeslokt | verleden tijd, deelwoord |
| opgeslokt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeslokt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeslokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeslokt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeslokt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeslokt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeslokt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeslokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeslokt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeslokt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opslok | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opslokkend | onvoltooid, deelwoord |
| opslokt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opslokte | bijzin, verleden tijd |
| opslokten | bijzin, verleden tijd |
| slok op | gebiedende wijs |
| slokte op | verleden tijd |
| te hebben opgeslokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opslokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeslokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeslokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeslokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeslokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeslokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeslokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeslokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeslokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeslokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeslokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opslokken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeslokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opslokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opslokken op zou(dt) slokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opslokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeslokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeslokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opslokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeslokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeslokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeslokt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeslokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opslokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opslokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opslokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeslokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en slokken
Woordfamilie van opslokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeslokt | voltooid deelwoord | opslokken |
| opgeslokte | woordvorm | opslokken |
| opslok | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opslokken |
| opslokke | with-subordinate-clause | opslokken |
| opslokkend | onvoltooid deelwoord | opslokken |
| opslokkende | woordvorm | opslokken |
| opslokt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opslokken |
| opslokte | subordinate-clause, verleden tijd | opslokken |
| opslokten | subordinate-clause, verleden tijd | opslokken |
| slok op | gebiedende wijs | opslokken |
| slokke op | woordvorm | opslokken |
| slokken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opslokken |
| slokt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opslokken |
| slokte op | verleden tijd | opslokken |
| slokten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opslokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opslokken zijn vastgelegd.