opschudden
werkwoordBetekenis
- schuddend ordenen
- uit zijn gewone doen halen
werkwoord
- uit zijn gewone doen halen en daardoor activeren of wakker maken transitive
Vervoeging van opschudden
opschuddenhele werkwoord — schudde opverleden tijd enkelvoud — schudden opverleden tijd meervoud — opgeschudvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schud op | schudde op |
| jij | schudt op | schudde op |
| hij, zij, het | schudt op | schudde op |
| wij | schudden op | schudden op |
| jullie | schudden op | schudden op |
| zij | schudden op | schudden op |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeschud | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschud | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschud | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschud | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschud worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschud zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschud worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschud zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schudden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schudden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schudden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schudden | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschud | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschud te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschud te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschud te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschud te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschud te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschud worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschud zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschud zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschud zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschud zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschudde | bijzin, verleden tijd |
| opschuddend | onvoltooid, deelwoord |
| opschudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| schud op | gebiedende wijs |
| schudde op | verleden tijd |
| te hebben opgeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschudden op zou(dt) schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opschudden
Vervoeging van opschudden
opschuddenhele werkwoord — schudde opverleden tijd enkelvoud — schudden opverleden tijd meervoud — opgeschudvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schud op | schudde op |
| jij | schudt op | schudde op |
| hij, zij, het | schudt op | schudde op |
| wij | schudden op | schudden op |
| jullie | schudden op | schudden op |
| zij | schudden op | schudden op |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeschud | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschud | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschud | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschud | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschud worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschud zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschud worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschud zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schudden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schudden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schudden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schudden | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschud | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschud te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschud te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschud te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschud te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschud te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschud worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschud zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschud zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschud zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschud zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschudde | bijzin, verleden tijd |
| opschuddend | onvoltooid, deelwoord |
| opschudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| schud op | gebiedende wijs |
| schudde op | verleden tijd |
| te hebben opgeschud | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschud | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeschud | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeschud | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeschud | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeschud | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschudden op zou(dt) schudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschud hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschud zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschudden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschud zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschudden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschudden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschudden | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschud hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgeschud worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en schudden
Woordfamilie van opschudden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschud | voltooid deelwoord | opschudden |
| opgeschudde | woordvorm | opschudden |
| opschud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschudden |
| opschudde | subordinate-clause, verleden tijd | opschudden |
| opschuddend | onvoltooid deelwoord | opschudden |
| opschuddende | woordvorm | opschudden |
| opschudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschudden |
| schud op | gebiedende wijs | opschudden |
| schudde op | verleden tijd | opschudden |
| schudden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opschudden |
| schudt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opschudden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschudden zijn vastgelegd.