Naar de inhoud

opschudden

schuddend ordenen

opschudden

werkwoord

Betekenis

  1. schuddend ordenen
  2. uit zijn gewone doen halen

werkwoord

  1. uit zijn gewone doen halen en daardoor activeren of wakker maken transitive

Vervoeging van opschudden

opschuddenhele werkwoord — schudde opverleden tijd enkelvoud — schudden opverleden tijd meervoud — opgeschudvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schud op schudde op
jij schudt op schudde op
hij, zij, het schudt op schudde op
wij schudden op schudden op
jullie schudden op schudden op
zij schudden op schudden op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeschud impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschud impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschud impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschud impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschud worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschud zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschud worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschud zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schudden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schudden bijzin, toekomende tijd
op zou schudden bijzin, voorwaardelijk
op zouden schudden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schudden bijzin, voorwaardelijk
op zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schudden bijzin, toekomende tijd
op zult schudden bijzin, toekomende tijd
opgeschud verleden tijd, deelwoord
opgeschud te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschud te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschud te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschud te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschud te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschud worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschud zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschud zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschud zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschud zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschud bijzin, tegenwoordige tijd
opschudde bijzin, verleden tijd
opschuddend onvoltooid, deelwoord
opschudt bijzin, tegenwoordige tijd
schud op gebiedende wijs
schudde op verleden tijd
te hebben opgeschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschudden bijzin, toekomende tijd
zijn opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschudden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschudden op zou(dt) schudden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschudden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschudden bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschudden bijzin, toekomende tijd
zult opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van opschudden

Vervoeging van opschudden

opschuddenhele werkwoord — schudde opverleden tijd enkelvoud — schudden opverleden tijd meervoud — opgeschudvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schud op schudde op
jij schudt op schudde op
hij, zij, het schudt op schudde op
wij schudden op schudden op
jullie schudden op schudden op
zij schudden op schudden op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeschud impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschud impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschud impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschud impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschud worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschud zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschud worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschud zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schudden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schudden bijzin, toekomende tijd
op zou schudden bijzin, voorwaardelijk
op zouden schudden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schudden bijzin, voorwaardelijk
op zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schudden bijzin, toekomende tijd
op zult schudden bijzin, toekomende tijd
opgeschud verleden tijd, deelwoord
opgeschud te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschud te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschud te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschud te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschud te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschud worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschud zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschud zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschud zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschud zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschud bijzin, tegenwoordige tijd
opschudde bijzin, verleden tijd
opschuddend onvoltooid, deelwoord
opschudt bijzin, tegenwoordige tijd
schud op gebiedende wijs
schudde op verleden tijd
te hebben opgeschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeschud enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeschud enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschudden bijzin, toekomende tijd
zijn opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschudden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschudden op zou(dt) schudden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschudden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschud zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschudden bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschud zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschudden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschudden bijzin, toekomende tijd
zult opgeschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgeschud worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en schudden

Woordfamilie van opschudden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeschud voltooid deelwoord opschudden
opgeschudde woordvorm opschudden
opschud subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschudden
opschudde subordinate-clause, verleden tijd opschudden
opschuddend onvoltooid deelwoord opschudden
opschuddende woordvorm opschudden
opschudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschudden
schud op gebiedende wijs opschudden
schudde op verleden tijd opschudden
schudden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opschudden
schudt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opschudden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschudden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opschudden

Wat betekent opschudden?
Opschudden is een werkwoord. Het woord betekent: schuddend ordenen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opschudden?
Je vervoegt opschudden als volgt: het voltooid deelwoord is opgeschud. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opschudden is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. U 4
  7. D 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opschudden levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. U 2
  7. D 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opschudden in het kort

opschudden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opschudden zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opschudden bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opschudden: schuddend ordenen
Deel opschudden — standaardnederlands.nl