opschrokken
werkwoordBetekenis
- gulzig opeten
Vervoeging van opschrokken
opschrokkenhele werkwoord — schrokte opverleden tijd enkelvoud — schrokten opverleden tijd meervoud — opgeschroktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrok op | schrokte op |
| jij | schrokt op | schrokte op |
| hij, zij, het | schrokt op | schrokte op |
| wij | schrokken op | schrokten op |
| jullie | schrokken op | schrokten op |
| zij | schrokken op | schrokten op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeschrokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschrokt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschrokt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschrokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschrokt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschrokt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschrokt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschrokt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschrokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schrokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schrokken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schrokken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schrokken | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschrokt | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschrokt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschrokt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschrok | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschrokkend | onvoltooid, deelwoord |
| opschrokt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschrokte | bijzin, verleden tijd |
| opschrokten | bijzin, verleden tijd |
| schrok op | gebiedende wijs |
| schrokte op | verleden tijd |
| te hebben opgeschrokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschrokken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschrokken op zou(dt) schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschrokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opschrikken
Vervoeging van opschrokken
opschrokkenhele werkwoord — schrokte opverleden tijd enkelvoud — schrokten opverleden tijd meervoud — opgeschroktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrok op | schrokte op |
| jij | schrokt op | schrokte op |
| hij, zij, het | schrokt op | schrokte op |
| wij | schrokken op | schrokten op |
| jullie | schrokken op | schrokten op |
| zij | schrokken op | schrokten op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeschrokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschrokt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschrokt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschrokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschrokt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschrokt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschrokt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschrokt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschrokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schrokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schrokken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schrokken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schrokken | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschrokt | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschrokt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschrokt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschrokt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschrokt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschrok | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschrokkend | onvoltooid, deelwoord |
| opschrokt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschrokte | bijzin, verleden tijd |
| opschrokten | bijzin, verleden tijd |
| schrok op | gebiedende wijs |
| schrokte op | verleden tijd |
| te hebben opgeschrokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeschrokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeschrokt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschrokken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeschrokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschrokken op zou(dt) schrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschrokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschrokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschrokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeschrokt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschrokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschrokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschrokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschrokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschrokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en schrokken
Woordfamilie van opschrokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschrokt | voltooid deelwoord | opschrokken |
| opgeschrokte | woordvorm | opschrokken |
| opschrokke | with-subordinate-clause | opschrokken |
| opschrokkend | onvoltooid deelwoord | opschrokken |
| opschrokkende | woordvorm | opschrokken |
| opschrokt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschrokken |
| opschrokte | subordinate-clause, verleden tijd | opschrokken |
| opschrokten | subordinate-clause, verleden tijd | opschrokken |
| schrokke op | woordvorm | opschrokken |
| schrokt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opschrokken |
| schrokte op | verleden tijd | opschrokken |
| schrokten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opschrokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschrokken zijn vastgelegd.