Naar de inhoud

opschrokken

gulzig opeten

opschrokken

werkwoord

Betekenis

  1. gulzig opeten

Vervoeging van opschrokken

opschrokkenhele werkwoord — schrokte opverleden tijd enkelvoud — schrokten opverleden tijd meervoud — opgeschroktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schrok op schrokte op
jij schrokt op schrokte op
hij, zij, het schrokt op schrokte op
wij schrokken op schrokten op
jullie schrokken op schrokten op
zij schrokken op schrokten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschrokt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschrokt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschrokt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschrokt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschrokt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschrokt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schrokken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schrokken bijzin, toekomende tijd
op zou schrokken bijzin, voorwaardelijk
op zouden schrokken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schrokken bijzin, voorwaardelijk
op zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schrokken bijzin, toekomende tijd
op zult schrokken bijzin, toekomende tijd
opgeschrokt verleden tijd, deelwoord
opgeschrokt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschrokt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschrokt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschrokt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschrokt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschrokt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschrokt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschrokt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschrokt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschrokt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschrok bijzin, tegenwoordige tijd
opschrokkend onvoltooid, deelwoord
opschrokt bijzin, tegenwoordige tijd
opschrokte bijzin, verleden tijd
opschrokten bijzin, verleden tijd
schrok op gebiedende wijs
schrokte op verleden tijd
te hebben opgeschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschrokken bijzin, toekomende tijd
zijn opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschrokken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschrokken op zou(dt) schrokken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschrokken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschrokken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschrokken bijzin, toekomende tijd
zult opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van opschrikken

Vervoeging van opschrokken

opschrokkenhele werkwoord — schrokte opverleden tijd enkelvoud — schrokten opverleden tijd meervoud — opgeschroktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schrok op schrokte op
jij schrokt op schrokte op
hij, zij, het schrokt op schrokte op
wij schrokken op schrokten op
jullie schrokken op schrokten op
zij schrokken op schrokten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschrokt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschrokt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschrokt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschrokt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschrokt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschrokt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schrokken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schrokken bijzin, toekomende tijd
op zou schrokken bijzin, voorwaardelijk
op zouden schrokken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schrokken bijzin, voorwaardelijk
op zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schrokken bijzin, toekomende tijd
op zult schrokken bijzin, toekomende tijd
opgeschrokt verleden tijd, deelwoord
opgeschrokt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschrokt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschrokt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschrokt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschrokt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschrokt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschrokt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschrokt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschrokt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschrokt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschrok bijzin, tegenwoordige tijd
opschrokkend onvoltooid, deelwoord
opschrokt bijzin, tegenwoordige tijd
opschrokte bijzin, verleden tijd
opschrokten bijzin, verleden tijd
schrok op gebiedende wijs
schrokte op verleden tijd
te hebben opgeschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeschrokt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschrokken bijzin, toekomende tijd
zijn opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschrokken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschrokken op zou(dt) schrokken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschrokken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschrokt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschrokken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeschrokt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschrokt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschrokken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschrokken bijzin, toekomende tijd
zult opgeschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en schrokken

Woordfamilie van opschrokken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeschrokt voltooid deelwoord opschrokken
opgeschrokte woordvorm opschrokken
opschrokke with-subordinate-clause opschrokken
opschrokkend onvoltooid deelwoord opschrokken
opschrokkende woordvorm opschrokken
opschrokt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschrokken
opschrokte subordinate-clause, verleden tijd opschrokken
opschrokten subordinate-clause, verleden tijd opschrokken
schrokke op woordvorm opschrokken
schrokt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opschrokken
schrokte op verleden tijd opschrokken
schrokten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opschrokken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschrokken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opschrokken

Wat is de betekenis van opschrokken?
Opschrokken is een werkwoord. De betekenis is: gulzig opeten.
Hoe vervoeg ik opschrokken?
Zo vervoeg je opschrokken zo: het voltooid deelwoord is opgeschrokt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opschrokken is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. R 2
  7. O 1
  8. K 3
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opschrokken levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. R 2
  7. O 1
  8. K 3
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 27 zonder bonus
  13. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opschrokken in het kort

opschrokken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opschrokken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opschrokken bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opschrokken: gulzig opeten
Deel opschrokken — standaardnederlands.nl