Naar de inhoud

opschorten

uitstellen

opschorten

werkwoord

Betekenis

  1. uitstellen

Vervoeging van opschorten

opschortenhele werkwoord — schortte opverleden tijd enkelvoud — schortten opverleden tijd meervoud — opgeschortvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schort op schortte op
jij schort op schortte op
hij, zij, het schort op schortte op
wij schorten op schortten op
jullie schorten op schortten op
zij schorten op schortten op
Alle 106 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is opgeschort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschort impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschort impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschort worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschort zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschort worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschort zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeschort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schorten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schorten bijzin, toekomende tijd
op zou schorten bijzin, voorwaardelijk
op zouden schorten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schorten bijzin, voorwaardelijk
op zullen schorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schorten bijzin, toekomende tijd
op zult schorten bijzin, toekomende tijd
opgeschort verleden tijd, deelwoord
opgeschort te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschort te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschort te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschort te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschort te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschort worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschort zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschort zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschort zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschort zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschort bijzin, tegenwoordige tijd
opschortend onvoltooid, deelwoord
opschortte bijzin, verleden tijd
opschortten bijzin, verleden tijd
schort op gebiedende wijs
schortte op verleden tijd
te hebben opgeschort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren opgeschort voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeschort voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeschort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden opgeschort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden opgeschort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeschort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeschort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschorten bijzin, toekomende tijd
zijn opgeschort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeschort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeschort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschorten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschorten op zou(dt) schorten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschorten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschorten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschorten bijzin, toekomende tijd
zult opgeschort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opschorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opschorten bijzin, toekomende tijd
zult/zal opschorten op zult/zal schorten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘uitstellen’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Woordfamilie van opschorten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeschort voltooid deelwoord opschorten
opgeschorte woordvorm opschorten
opschort subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschorten
opschorte with-subordinate-clause opschorten
opschortend onvoltooid deelwoord opschorten
opschortende woordvorm opschorten
opschortte subordinate-clause, verleden tijd opschorten
opschortten subordinate-clause, verleden tijd opschorten
schort op gebiedende wijs opschorten
schorte op woordvorm opschorten
schorten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opschorten
schortte op verleden tijd opschorten
schortten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opschorten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschorten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opschorten

Wat is de betekenis van opschorten?
Opschorten is een werkwoord. De betekenis is: uitstellen.
Hoe vervoeg ik opschorten?
Zo vervoeg je opschorten zo: het voltooid deelwoord is opgeschort. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opschorten is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. R 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opschorten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. R 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opschorten in het kort

opschorten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opschorten staan er 76 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opschorten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opschorten: uitstellen
Deel opschorten — standaardnederlands.nl