opschorten
werkwoordBetekenis
- uitstellen
Vervoeging van opschorten
opschortenhele werkwoord — schortte opverleden tijd enkelvoud — schortten opverleden tijd meervoud — opgeschortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schort op | schortte op |
| jij | schort op | schortte op |
| hij, zij, het | schort op | schortte op |
| wij | schorten op | schortten op |
| jullie | schorten op | schortten op |
| zij | schorten op | schortten op |
Alle 106 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is opgeschort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschort | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschort | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschort worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschort zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschort worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschort zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schorten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schorten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schorten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schorten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schorten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schorten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schorten | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschort | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschort te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschort te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschort te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschort te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschort te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschort worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschort zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschort zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschort zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschort zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschortend | onvoltooid, deelwoord |
| opschortte | bijzin, verleden tijd |
| opschortten | bijzin, verleden tijd |
| schort op | gebiedende wijs |
| schortte op | verleden tijd |
| te hebben opgeschort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren opgeschort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden opgeschort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden opgeschort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeschort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschorten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeschort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschorten op zou(dt) schorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opschorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opschorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opschorten op zult/zal schorten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitstellen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van opschorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschort | voltooid deelwoord | opschorten |
| opgeschorte | woordvorm | opschorten |
| opschort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschorten |
| opschorte | with-subordinate-clause | opschorten |
| opschortend | onvoltooid deelwoord | opschorten |
| opschortende | woordvorm | opschorten |
| opschortte | subordinate-clause, verleden tijd | opschorten |
| opschortten | subordinate-clause, verleden tijd | opschorten |
| schort op | gebiedende wijs | opschorten |
| schorte op | woordvorm | opschorten |
| schorten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opschorten |
| schortte op | verleden tijd | opschorten |
| schortten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opschorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschorten zijn vastgelegd.