Naar de inhoud

opschorsen

opschorten

opschorsen

werkwoord

Betekenis

  1. opschorten

Vervoeging van opschorsen

opschorsenhele werkwoord — schorste opverleden tijd enkelvoud — schorsten opverleden tijd meervoud — opgeschorstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schors op schorste op
jij schorst op schorste op
hij, zij, het schorst op schorste op
wij schorsen op schorsten op
jullie schorsen op schorsten op
zij schorsen op schorsten op
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had opgeschorst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschorst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschorst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschorst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschorst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschorst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschorst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schorsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schorsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schorsen bijzin, toekomende tijd
op zou schorsen bijzin, voorwaardelijk
op zouden schorsen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schorsen bijzin, voorwaardelijk
op zullen schorsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schorsen bijzin, toekomende tijd
op zult schorsen bijzin, toekomende tijd
opgeschorst verleden tijd, deelwoord
opgeschorst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschorst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschors bijzin, tegenwoordige tijd
opschorsend onvoltooid, deelwoord
opschorst bijzin, tegenwoordige tijd
opschorste bijzin, verleden tijd
opschorsten bijzin, verleden tijd
schors op gebiedende wijs
schorste op verleden tijd
te hebben opgeschorst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschorsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschorsen bijzin, toekomende tijd
zou opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschorsen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschorsen op zou(dt) schorsen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschorsen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschorst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschorsen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschorsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschorsen bijzin, toekomende tijd
zult opgeschorst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opschorsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opschorsen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opschorsen op zult/zal schorsen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en schorsen

Woordfamilie van opschorsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeschorst voltooid deelwoord opschorsen
opschors subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschorsen
opschorse with-subordinate-clause opschorsen
opschorsend onvoltooid deelwoord opschorsen
opschorsende woordvorm opschorsen
opschorst subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschorsen
opschorste subordinate-clause, verleden tijd opschorsen
opschorsten subordinate-clause, verleden tijd opschorsen
schors op gebiedende wijs opschorsen
schorse op woordvorm opschorsen
schorsen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opschorsen
schorst op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opschorsen
schorste op verleden tijd opschorsen
schorsten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opschorsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschorsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opschorsen

Wat is de betekenis van opschorsen?
Opschorsen is een werkwoord. De betekenis is: opschorten.
Hoe vervoeg ik opschorsen?
Zo vervoeg je opschorsen zo: het voltooid deelwoord is opgeschorst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opschorsen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. R 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opschorsen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. R 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opschorsen in het kort

opschorsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opschorsen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opschorsen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opschorsen: opschorten
Deel opschorsen — standaardnederlands.nl