Naar de inhoud

opschieten

haast maken

opschieten

werkwoord

Betekenis

  1. haast maken
  2. vorderingen maken
  3. een touw of kabel oprollen

Vervoeging van opschieten

opschietenhele werkwoord — schoot opverleden tijd enkelvoud — schoten opverleden tijd meervoud — opgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet op schoot op
jij schiet op schoot op
hij, zij, het schiet op schoot op
wij schieten op schoten op
jullie schieten op schoten op
zij schieten op schoten op
Alle 117 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
is opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schieten bijzin, toekomende tijd
op zou schieten bijzin, voorwaardelijk
op zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
op zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schieten bijzin, toekomende tijd
op zult schieten bijzin, toekomende tijd
opgeschoten verleden tijd, deelwoord
opgeschoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeschoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschoten te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeschoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschoten zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeschoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschiet bijzin, tegenwoordige tijd
opschietend onvoltooid, deelwoord
opschoot bijzin, verleden tijd
opschoten bijzin, verleden tijd
schiet op gebiedende wijs
schoot op verleden tijd
te zijn opgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschieten bijzin, toekomende tijd
zijn opgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschieten op zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschieten bijzin, toekomende tijd
zult opgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal opschieten op zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en schieten

Woordfamilie van opschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschieten
opschiete with-subordinate-clause opschieten
opschietend onvoltooid deelwoord opschieten
opschietende woordvorm opschieten
opschoot subordinate-clause, verleden tijd opschieten
opschoten subordinate-clause, verleden tijd opschieten
schiet op gebiedende wijs opschieten
schiete op woordvorm opschieten
schoot op verleden tijd opschieten
schoten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opschieten

Wat is de betekenis van opschieten?
Opschieten is een werkwoord. De betekenis is: haast maken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opschieten?
Zo vervoeg je opschieten zo: het voltooid deelwoord is opgeschoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opschieten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 1
  7. E 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opschieten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 2
  7. E 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opschieten in het kort

opschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opschieten staan er 71 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opschieten bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opschieten: haast maken
Deel opschieten — standaardnederlands.nl