opschieten
werkwoordBetekenis
- haast maken
- vorderingen maken
- een touw of kabel oprollen
Vervoeging van opschieten
opschietenhele werkwoord — schoot opverleden tijd enkelvoud — schoten opverleden tijd meervoud — opgeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet op | schoot op |
| jij | schiet op | schoot op |
| hij, zij, het | schiet op | schoot op |
| wij | schieten op | schoten op |
| jullie | schieten op | schoten op |
| zij | schieten op | schoten op |
Alle 117 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschoten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschoten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschietend | onvoltooid, deelwoord |
| opschoot | bijzin, verleden tijd |
| opschoten | bijzin, verleden tijd |
| schiet op | gebiedende wijs |
| schoot op | verleden tijd |
| te zijn opgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschieten op zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opschieten op zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en schieten
Woordfamilie van opschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschieten |
| opschiete | with-subordinate-clause | opschieten |
| opschietend | onvoltooid deelwoord | opschieten |
| opschietende | woordvorm | opschieten |
| opschoot | subordinate-clause, verleden tijd | opschieten |
| opschoten | subordinate-clause, verleden tijd | opschieten |
| schiet op | gebiedende wijs | opschieten |
| schiete op | woordvorm | opschieten |
| schoot op | verleden tijd | opschieten |
| schoten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschieten zijn vastgelegd.