opschik
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- tooi, versiering
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opschikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| opschikjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opschikken
Vervoeging van opschik
opschikhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van op en schik
Woordfamilie van opschik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opschikje | verkleinwoord | opschik |
| opschikjes | verkleinwoord meervoud | opschik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschik zijn vastgelegd.