Naar de inhoud

opschenken

een vloeistof op iets schenken of gieten

opschenken

werkwoord

Betekenis

  1. een vloeistof op iets schenken of gieten
  2. leegschenken

Vervoeging van opschenken

opschenkenhele werkwoord — schonk opverleden tijd enkelvoud — schonken opverleden tijd meervoud — opgeschonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schenk op schonk op
jij schenkt op schonk op
hij, zij, het schenkt op schonk op
wij schenken op schonken op
jullie schenken op schonken op
zij schenken op schonken op
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is opgeschonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeschonken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeschonken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeschonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeschonken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeschonken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeschonken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeschonken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeschonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeschonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeschonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeschonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te schenken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen schenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal schenken bijzin, toekomende tijd
op zou schenken bijzin, voorwaardelijk
op zouden schenken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt schenken bijzin, voorwaardelijk
op zullen schenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen schenken bijzin, toekomende tijd
op zult schenken bijzin, toekomende tijd
opgeschonken verleden tijd, deelwoord
opgeschonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeschonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opschenk bijzin, tegenwoordige tijd
opschenkend onvoltooid, deelwoord
opschenkt bijzin, tegenwoordige tijd
opschonk bijzin, verleden tijd
opschonken bijzin, verleden tijd
schenk op gebiedende wijs
schonk op verleden tijd
te hebben opgeschonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opschenken bijzin, toekomende tijd
zou opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opschenken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opschenken op zou(dt) schenken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opschenken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeschonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opschenken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opschenken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opschenken bijzin, toekomende tijd
zult opgeschonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opschenken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opschenken bijzin, toekomende tijd
zult/zal opschenken op zult/zal schenken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en schenken

Woordfamilie van opschenken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeschonken voltooid deelwoord opschenken
opschenk subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschenken
opschenke with-subordinate-clause opschenken
opschenkend onvoltooid deelwoord opschenken
opschenkende woordvorm opschenken
opschenkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opschenken
opschonk subordinate-clause, verleden tijd opschenken
opschonken subordinate-clause, verleden tijd opschenken
schenk op gebiedende wijs opschenken
schenke op woordvorm opschenken
schenken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opschenken
schenkt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opschenken
schonk op verleden tijd opschenken
schonken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opschenken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschenken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opschenken

Wat betekent opschenken?
Opschenken is een werkwoord. Het woord betekent: een vloeistof op iets schenken of gieten. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opschenken?
Je vervoegt opschenken als volgt: het voltooid deelwoord is opgeschonken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opschenken is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opschenken levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opschenken in het kort

opschenken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opschenken zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opschenken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opschenken: een vloeistof op iets schenken of gieten
Deel opschenken — standaardnederlands.nl