oprotten
werkwoord ˈɔprɔtə(n)Betekenis
- weggaan, vertrekken
Hoe spreek je oprotten uit?
/ˈɔprɔtən/
Oprotten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van oprotten
oprottenhele werkwoord — rotte opverleden tijd enkelvoud — rotten opverleden tijd meervoud — opgerotvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rot op | rotte op |
| jij | rot op | rotte op |
| hij, zij, het | rot op | rotte op |
| wij | rotten op | rotten op |
| jullie | rotten op | rotten op |
| zij | rotten op | rotten op |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgerot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgerot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgerot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgerot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgerot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgerot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgerot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgerot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te rotten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen rotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal rotten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen rotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen rotten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult rotten | bijzin, toekomende tijd |
| opgerot | verleden tijd, deelwoord |
| opgerot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgerot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oprot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oprotte | bijzin, verleden tijd |
| oprottend | onvoltooid, deelwoord |
| rot op | gebiedende wijs |
| rotte op | verleden tijd |
| te hebben opgerot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oprotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oprotten | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oprotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oprotten op zou(dt) rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oprotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oprotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oprotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oprotten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult oprotten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal oprotten op zult/zal rotten | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van oprotten
Vervoeging van oprotten
oprottenhele werkwoord — rotte opverleden tijd enkelvoud — rotten opverleden tijd meervoud — opgerotvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rot op | rotte op |
| jij | rot op | rotte op |
| hij, zij, het | rot op | rotte op |
| wij | rotten op | rotten op |
| jullie | rotten op | rotten op |
| zij | rotten op | rotten op |
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgerot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgerot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgerot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgerot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgerot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgerot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgerot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgerot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgerot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te rotten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen rotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal rotten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen rotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen rotten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult rotten | bijzin, toekomende tijd |
| opgerot | verleden tijd, deelwoord |
| opgerot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgerot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oprot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oprotte | bijzin, verleden tijd |
| oprottend | onvoltooid, deelwoord |
| rot op | gebiedende wijs |
| rotte op | verleden tijd |
| te hebben opgerot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oprotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oprotten | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oprotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oprotten op zou(dt) rotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oprotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgerot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oprotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oprotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oprotten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgerot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oprotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult oprotten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal oprotten op zult/zal rotten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘ophoepelen’ voor het eerst aangetroffen in 1963
Woordfamilie van oprotten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgerot | voltooid deelwoord | oprotten |
| oprot | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oprotten |
| oprotte | subordinate-clause, verleden tijd | oprotten |
| oprottend | onvoltooid deelwoord | oprotten |
| oprottende | woordvorm | oprotten |
| rot op | gebiedende wijs | oprotten |
| rotte op | verleden tijd | oprotten |
| rotten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oprotten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprotten zijn vastgelegd.