Naar de inhoud

opruien

kwaad en opgewonden maken

opruien

werkwoord

Betekenis

  1. kwaad en opgewonden maken

werkwoord

  1. kwaad en opgewonden maken (voor een gevecht, aanval) transitive

Vervoeging van opruien

opruienhele werkwoord — ruide opverleden tijd enkelvoud — ruiden opverleden tijd meervoud — opgeruidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rui op ruide op
jij ruit op ruide op
hij, zij, het ruit op ruide op
wij ruien op ruiden op
jullie ruien op ruiden op
zij ruien op ruiden op
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is opgeruid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeruid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeruid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeruid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeruid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeruid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeruid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeruid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeruid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeruid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeruid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeruid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeruid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeruid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeruid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeruid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeruid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te ruien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen ruien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal ruien bijzin, toekomende tijd
op zou ruien bijzin, voorwaardelijk
op zouden ruien bijzin, voorwaardelijk
op zoudt ruien bijzin, voorwaardelijk
op zullen ruien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen ruien bijzin, toekomende tijd
op zult ruien bijzin, toekomende tijd
opgeruid verleden tijd, deelwoord
opgeruid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeruid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oprui bijzin, tegenwoordige tijd
opruide bijzin, verleden tijd
opruiden bijzin, verleden tijd
opruiend onvoltooid, deelwoord
opruit bijzin, tegenwoordige tijd
rui op gebiedende wijs
ruide op verleden tijd
te hebben opgeruid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opruien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opruien bijzin, toekomende tijd
zou opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opruien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opruien op zou(dt) ruien bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opruien bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeruid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opruien bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opruien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opruien bijzin, toekomende tijd
zult opgeruid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opruien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opruien bijzin, toekomende tijd
zult/zal opruien op zult/zal ruien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘ophitsen’ voor het eerst aangetroffen in 1551

Woordfamilie van opruien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeruid voltooid deelwoord opruien
opgeruide woordvorm opruien
oprui subordinate-clause, tegenwoordige tijd opruien
opruide subordinate-clause, verleden tijd opruien
opruiden subordinate-clause, verleden tijd opruien
opruie with-subordinate-clause opruien
opruit subordinate-clause, tegenwoordige tijd opruien
rui op gebiedende wijs opruien
ruide op verleden tijd opruien
ruiden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opruien
ruie op woordvorm opruien
ruien op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opruien
ruit op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opruien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opruien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opruien

Wat is de betekenis van opruien?
Opruien is een werkwoord. De betekenis is: kwaad en opgewonden maken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opruien?
Zo vervoeg je opruien zo: het voltooid deelwoord is opgeruid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opruien is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. U 4
  5. I 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opruien levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. U 2
  5. I 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

opruien telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opruien in het kort

opruien staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opruien staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opruien bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opruien: kwaad en opgewonden maken
Deel opruien — standaardnederlands.nl