oproepen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔprupə(n)Betekenis
- doen verschijnen
- (gevoelens) veroorzaken
Hoe spreek je oproepen uit?
/ˈɔprupən/
Oproepen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| r | rood |
| u | boek |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- veroorzaken transitive
- mensen aanmoedigen om iets te doen of te laten
Vervoeging van oproepen
oproepenhele werkwoord — riep opverleden tijd enkelvoud — riepen opverleden tijd meervoud — opgeroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roep op | riep op |
| jij | roept op | riep op |
| hij, zij, het | roept op | riep op |
| wij | roepen op | riepen op |
| jullie | roepen op | riepen op |
| zij | roepen op | riepen op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeroepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeroepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeroepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeroepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeroepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeroepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te roepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen roepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal roepen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen roepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen roepen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult roepen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeroepen | verleden tijd, deelwoord |
| opgeroepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeroepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeroepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeroepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeroepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeroepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeroepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeroepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeroepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeroepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opriep | bijzin, verleden tijd |
| opriepen | bijzin, verleden tijd |
| oproep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oproepend | onvoltooid, deelwoord |
| oproept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| riep op | verleden tijd |
| roep op | gebiedende wijs |
| te hebben opgeroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oproepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oproepen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oproepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oproepen op zou(dt) roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oproepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oproepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oproepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oproepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oproepen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oproep
Herkomst
samenstelling van op bw en roepen ww
Woordfamilie van oproepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeroepen | voltooid deelwoord | oproepen |
| opriep | subordinate-clause, verleden tijd | oproepen |
| opriepen | subordinate-clause, verleden tijd | oproepen |
| oproepe | with-subordinate-clause | oproepen |
| oproepend | onvoltooid deelwoord | oproepen |
| oproepende | woordvorm | oproepen |
| oproept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oproepen |
| riep op | verleden tijd | oproepen |
| riepen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oproepen |
| roep op | gebiedende wijs | oproepen |
| roepe op | woordvorm | oproepen |
| roepen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oproepen |
| roept op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oproepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oproepen zijn vastgelegd.