Naar de inhoud

oproepen

doen verschijnen

oproepen is meer dan één woord

oproepen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔprupə(n)

Betekenis

  1. doen verschijnen
  2. (gevoelens) veroorzaken

Hoe spreek je oproepen uit?

/ˈɔprupən/

Oproepen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔprupən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
r rood
u boek
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. veroorzaken transitive
  2. mensen aanmoedigen om iets te doen of te laten

Vervoeging van oproepen

oproepenhele werkwoord — riep opverleden tijd enkelvoud — riepen opverleden tijd meervoud — opgeroepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik roep op riep op
jij roept op riep op
hij, zij, het roept op riep op
wij roepen op riepen op
jullie roepen op riepen op
zij roepen op riepen op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeroepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeroepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeroepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeroepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeroepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeroepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te roepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen roepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal roepen bijzin, toekomende tijd
op zou roepen bijzin, voorwaardelijk
op zouden roepen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt roepen bijzin, voorwaardelijk
op zullen roepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen roepen bijzin, toekomende tijd
op zult roepen bijzin, toekomende tijd
opgeroepen verleden tijd, deelwoord
opgeroepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeroepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeroepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeroepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeroepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeroepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeroepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeroepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeroepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeroepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opriep bijzin, verleden tijd
opriepen bijzin, verleden tijd
oproep bijzin, tegenwoordige tijd
oproepend onvoltooid, deelwoord
oproept bijzin, tegenwoordige tijd
riep op verleden tijd
roep op gebiedende wijs
te hebben opgeroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oproepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oproepen bijzin, toekomende tijd
zijn opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oproepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oproepen op zou(dt) roepen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oproepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oproepen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oproepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oproepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oproepen bijzin, toekomende tijd
zult opgeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord oproep

Herkomst

samenstelling van op bw en roepen ww

Woordfamilie van oproepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeroepen voltooid deelwoord oproepen
opriep subordinate-clause, verleden tijd oproepen
opriepen subordinate-clause, verleden tijd oproepen
oproepe with-subordinate-clause oproepen
oproepend onvoltooid deelwoord oproepen
oproepende woordvorm oproepen
oproept subordinate-clause, tegenwoordige tijd oproepen
riep op verleden tijd oproepen
riepen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oproepen
roep op gebiedende wijs oproepen
roepe op woordvorm oproepen
roepen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oproepen
roept op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oproepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oproepen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oproepen

Hoe spreek ik oproepen uit?
Zo spreek je oproepen uit: /ˈɔprupə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van oproepen?
Oproepen is een werkwoord. De betekenis is: doen verschijnen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik oproepen?
Zo vervoeg je oproepen zo: het voltooid deelwoord is opgeroepen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oproepen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oproepen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oproepen in het kort

oproepen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van oproepen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort oproepen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

oproepen: doen verschijnen
Deel oproepen — standaardnederlands.nl