ophoesten
werkwoordBetekenis
- door hoesten omhoog werken
- produceren
werkwoord
- door hoesten vanuit de luchtpijp of slokdarm omhoog werken
- ergens mee voor de dag komen, produceren, voortbrengen figuratively, informal
- betalen figuratively, informal
Vervoeging van ophoesten
ophoestenhele werkwoord — hoestte opverleden tijd enkelvoud — hoestten opverleden tijd meervoud — opgehoestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoest op | hoestte op |
| jij | hoest op | hoestte op |
| hij, zij, het | hoest op | hoestte op |
| wij | hoesten op | hoestten op |
| jullie | hoesten op | hoestten op |
| zij | hoesten op | hoestten op |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgehoest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgehoest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgehoest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgehoest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgehoest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgehoest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgehoest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgehoest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgehoest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgehoest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgehoest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgehoest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehoest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoest op | gebiedende wijs |
| hoestte op | verleden tijd |
| is opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te hoesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen hoesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal hoesten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou hoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden hoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt hoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen hoesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen hoesten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult hoesten | bijzin, toekomende tijd |
| opgehoest | verleden tijd, deelwoord |
| opgehoest te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehoest te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehoest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoest te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoest te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoest worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehoest zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehoest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehoest zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehoest zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophoest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophoestend | onvoltooid, deelwoord |
| ophoestte | bijzin, verleden tijd |
| ophoestten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgehoest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophoesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehoest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehoest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehoest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehoest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgehoest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgehoest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophoesten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophoesten op zou(dt) hoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehoest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophoesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehoest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehoest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehoest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ophoesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ophoesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ophoesten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgehoest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en hoesten ww
Woordfamilie van ophoesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoest op | gebiedende wijs | ophoesten |
| hoeste op | woordvorm | ophoesten |
| hoesten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophoesten |
| hoestte op | verleden tijd | ophoesten |
| hoestten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophoesten |
| opgehoest | voltooid deelwoord | ophoesten |
| opgehoeste | woordvorm | ophoesten |
| ophoest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophoesten |
| ophoeste | with-subordinate-clause | ophoesten |
| ophoestend | onvoltooid deelwoord | ophoesten |
| ophoestende | woordvorm | ophoesten |
| ophoestte | subordinate-clause, verleden tijd | ophoesten |
| ophoestten | subordinate-clause, verleden tijd | ophoesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophoesten zijn vastgelegd.