ophoepelen
werkwoordBetekenis
- weggaan
Vervoeging van ophoepelen
ophoepelenhele werkwoord — hoepelde opverleden tijd enkelvoud — hoepelden opverleden tijd meervoud — opgehoepeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoepel op | hoepelde op |
| jij | hoepelt op | hoepelde op |
| hij, zij, het | hoepelt op | hoepelde op |
| wij | hoepelen op | hoepelden op |
| jullie | hoepelen op | hoepelden op |
| zij | hoepelen op | hoepelden op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| hoepel op | gebiedende wijs |
| hoepelde op | verleden tijd |
| is opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te hoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen hoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal hoepelen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou hoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden hoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt hoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen hoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen hoepelen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult hoepelen | bijzin, toekomende tijd |
| opgehoepeld | verleden tijd, deelwoord |
| opgehoepeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoepeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophoepel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophoepelde | bijzin, verleden tijd |
| ophoepelden | bijzin, verleden tijd |
| ophoepelend | onvoltooid, deelwoord |
| ophoepelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te zijn opgehoepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophoepelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgehoepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophoepelen op zou(dt) hoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophoepelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ophoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ophoepelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgehoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ophoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ophoepelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal ophoepelen op zult/zal hoepelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en hoepelen
Woordfamilie van ophoepelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoepel op | gebiedende wijs | ophoepelen |
| hoepelde op | verleden tijd | ophoepelen |
| hoepelden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophoepelen |
| hoepele op | woordvorm | ophoepelen |
| hoepelen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophoepelen |
| hoepelt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ophoepelen |
| opgehoepeld | voltooid deelwoord | ophoepelen |
| opgehoepelde | woordvorm | ophoepelen |
| ophoepel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophoepelen |
| ophoepelde | subordinate-clause, verleden tijd | ophoepelen |
| ophoepelden | subordinate-clause, verleden tijd | ophoepelen |
| ophoepele | with-subordinate-clause | ophoepelen |
| ophoepelend | onvoltooid deelwoord | ophoepelen |
| ophoepelende | woordvorm | ophoepelen |
| ophoepelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophoepelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophoepelen zijn vastgelegd.