ophalen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔphalə(n)Betekenis
- een voorwerp bij iets/iemand vandaan halen
- naar boven halen
- vergeten kennis of ervaringen weer bewust maken
- een hoger cijfer verwerven voor iets
- een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
Hoe spreek je ophalen uit?
/ˈɔphalən/
Ophalen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| h | hoed |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen transitive
Vervoeging van ophalen
ophalenhele werkwoord — haalde opverleden tijd enkelvoud — haalden opverleden tijd meervoud — opgehaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haal op | haalde op |
| jij | haalt op | haalde op |
| hij, zij, het | haalt op | haalde op |
| wij | halen op | haalden op |
| jullie | halen op | haalden op |
| zij | halen op | haalden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgehaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgehaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgehaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgehaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgehaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgehaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgehaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgehaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| haal op | gebiedende wijs |
| haalde op | verleden tijd |
| had opgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te halen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal halen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou halen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden halen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt halen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen halen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult halen | bijzin, toekomende tijd |
| opgehaald | verleden tijd, deelwoord |
| opgehaald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehaald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehaald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehaald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehaald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehaald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehaald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehaald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophaalde | bijzin, verleden tijd |
| ophaalden | bijzin, verleden tijd |
| ophaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophalend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophalen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophalen op zou(dt) halen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ophalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ophalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ophalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ophaal
Herkomst
samenstelling van op bw en halen ww
Woordfamilie van ophalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haal op | gebiedende wijs | ophalen |
| haalde op | verleden tijd | ophalen |
| haalden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophalen |
| haalt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ophalen |
| hale op | woordvorm | ophalen |
| halen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophalen |
| opgehaald | voltooid deelwoord | ophalen |
| opgehaalde | woordvorm | ophalen |
| ophaalde | subordinate-clause, verleden tijd | ophalen |
| ophaalden | subordinate-clause, verleden tijd | ophalen |
| ophaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophalen |
| ophale | with-subordinate-clause | ophalen |
| ophalend | onvoltooid deelwoord | ophalen |
| ophalende | woordvorm | ophalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophalen zijn vastgelegd.