afhalen
werkwoord ˈɑfhalə(n)Betekenis
- goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
- door trekken van iets anders ontdoen
- het verwijderen van de draad bij peulvruchten (en dan nog vooral bij sperziebonen)
- ophalen
Hoe spreek je afhalen uit?
/ˈɑfhalən/
Afhalen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| h | hoed |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- persoon meenemen
Vervoeging van afhalen
afhalenhele werkwoord — haalde afverleden tijd enkelvoud — haalden afverleden tijd meervoud — afgehaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haal af | haalde af |
| jij | haalt af | haalde af |
| hij, zij, het | haalt af | haalde af |
| wij | halen af | haalden af |
| jullie | halen af | haalden af |
| zij | halen af | haalden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te halen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal halen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou halen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden halen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt halen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen halen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult halen | bijzin, toekomende tijd |
| afgehaald | verleden tijd, deelwoord |
| afgehaald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgehaald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgehaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehaald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehaald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehaald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgehaald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgehaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgehaald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgehaald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afhaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhaalde | bijzin, verleden tijd |
| afhaalden | bijzin, verleden tijd |
| afhaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhalend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgehaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgehaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgehaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgehaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgehaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgehaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgehaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgehaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| haal af | gebiedende wijs |
| haalde af | verleden tijd |
| had afgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afhalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgehaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afhalen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afhalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afhalen af zou(dt) halen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afhalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgehaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afhalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgehaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afhalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afhalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afhalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en halen ww
Woordfamilie van afhalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgehaald | voltooid deelwoord | afhalen |
| afgehaalde | woordvorm | afhalen |
| afhaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhalen |
| afhaalde | subordinate-clause, verleden tijd | afhalen |
| afhaalden | subordinate-clause, verleden tijd | afhalen |
| afhaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhalen |
| afhale | with-subordinate-clause | afhalen |
| afhalend | onvoltooid deelwoord | afhalen |
| afhalende | woordvorm | afhalen |
| haal af | gebiedende wijs | afhalen |
| haalde af | verleden tijd | afhalen |
| haalden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afhalen |
| haalt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afhalen |
| hale af | woordvorm | afhalen |
| halen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afhalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhalen zijn vastgelegd.