opgeven
werkwoord ˈɔpxevə(n)Betekenis
- de strijd staken en zich gewonnen geven
- een in- of uitgavepost vermelden
- hoog ~ over: de loftrompet steken over iets of iemand
- ergens mee stoppen; ergens niet mee doorgaan
Hoe spreek je opgeven uit?
/ˈɔpxevən/
Opgeven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| x | acht |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de strijd/competitie e.d. staken en zich gewonnen geven intransitive
- als in- of uitgavepost vermelden transitive
- ergens noodgedwongen mee stoppen/niet mee doorgaan, niet kunnen voortzetten transitive
- als verloren beschouwen transitive
- aanreiken transitive
- de opdracht geven om, opdragen transitive
Vervoeging van opgeven
opgevenhele werkwoord — gaf opverleden tijd enkelvoud — gaven opverleden tijd meervoud — opgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef op | gaf op |
| jij | geeft op | gaaft op |
| hij, zij, het | geeft op | gaf op |
| wij | geven op | gaven op |
| jullie | geven op | gaven op |
| zij | geven op | gaven op |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is opgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf op | verleden tijd |
| geef op | gebiedende wijs |
| had opgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| op zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| op zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| opgaaft | bijzin, verleden tijd |
| opgaf | bijzin, verleden tijd |
| opgaven | bijzin, verleden tijd |
| opgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| opgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opgeven op zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opgeven op zult/zal geven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en geven ww
Woordfamilie van opgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf op | verleden tijd | opgeven |
| gaven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opgeven |
| geef op | gebiedende wijs | opgeven |
| geeft op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opgeven |
| geve op | woordvorm | opgeven |
| geven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opgeven |
| opgaf | subordinate-clause, verleden tijd | opgeven |
| opgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opgeven |
| opgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opgeven |
| opgegeven | voltooid deelwoord | opgeven |
| opgeve | with-subordinate-clause | opgeven |
| opgevend | onvoltooid deelwoord | opgeven |
| opgevende | woordvorm | opgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opgeven zijn vastgelegd.