Naar de inhoud

opflikkeren

het toneel verlaten, weggaan

opflikkeren

werkwoord

Betekenis

  1. het toneel verlaten, weggaan
  2. sterker gaan branden

Vervoeging van opflikkeren

opflikkerenhele werkwoord — flikkerde opverleden tijd enkelvoud — flikkerden opverleden tijd meervoud — opgeflikkerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik flikker op flikkerde op
jij flikkert op flikkerde op
hij, zij, het flikkert op flikkerde op
wij flikkeren op flikkerden op
jullie flikkeren op flikkerden op
zij flikkeren op flikkerden op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
flikker op gebiedende wijs
flikkerde op verleden tijd
is opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te flikkeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen flikkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal flikkeren bijzin, toekomende tijd
op zou flikkeren bijzin, voorwaardelijk
op zouden flikkeren bijzin, voorwaardelijk
op zoudt flikkeren bijzin, voorwaardelijk
op zullen flikkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen flikkeren bijzin, toekomende tijd
op zult flikkeren bijzin, toekomende tijd
opflikker bijzin, tegenwoordige tijd
opflikkerde bijzin, verleden tijd
opflikkerden bijzin, verleden tijd
opflikkerend onvoltooid, deelwoord
opflikkert bijzin, tegenwoordige tijd
opgeflikkerd verleden tijd, deelwoord
opgeflikkerd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeflikkerd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te zijn opgeflikkerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opflikkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeflikkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opflikkeren bijzin, toekomende tijd
zal opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgeflikkerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeflikkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opflikkeren bijzin, voorwaardelijk
zou opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opflikkeren op zou(dt) flikkeren bijzin, voorwaardelijk
zouden opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opflikkeren bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opflikkeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeflikkerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opflikkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opflikkeren bijzin, toekomende tijd
zullen opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opflikkeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opflikkeren bijzin, toekomende tijd
zult opgeflikkerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opflikkeren op zult/zal flikkeren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en flikkeren

Woordfamilie van opflikkeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
flikker op gebiedende wijs opflikkeren
flikkerde op verleden tijd opflikkeren
flikkerden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opflikkeren
flikkere op woordvorm opflikkeren
flikkeren op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opflikkeren
flikkert op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opflikkeren
opflikker subordinate-clause, tegenwoordige tijd opflikkeren
opflikkerde subordinate-clause, verleden tijd opflikkeren
opflikkerden subordinate-clause, verleden tijd opflikkeren
opflikkere with-subordinate-clause opflikkeren
opflikkerend onvoltooid deelwoord opflikkeren
opflikkerende woordvorm opflikkeren
opflikkert subordinate-clause, tegenwoordige tijd opflikkeren
opgeflikkerd voltooid deelwoord opflikkeren
opgeflikkerde woordvorm opflikkeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opflikkeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over opflikkeren

Wat betekent opflikkeren?
Opflikkeren is een werkwoord. Het woord betekent: het toneel verlaten, weggaan. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opflikkeren?
Je vervoegt opflikkeren als volgt: het voltooid deelwoord is opgeflikkerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opflikkeren is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. F 4
  4. L 3
  5. I 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opflikkeren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. F 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opflikkeren in het kort

opflikkeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opflikkeren zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opflikkeren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opflikkeren: het toneel verlaten, weggaan
Deel opflikkeren — standaardnederlands.nl