opflikkeren
werkwoordBetekenis
- het toneel verlaten, weggaan
- sterker gaan branden
Vervoeging van opflikkeren
opflikkerenhele werkwoord — flikkerde opverleden tijd enkelvoud — flikkerden opverleden tijd meervoud — opgeflikkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flikker op | flikkerde op |
| jij | flikkert op | flikkerde op |
| hij, zij, het | flikkert op | flikkerde op |
| wij | flikkeren op | flikkerden op |
| jullie | flikkeren op | flikkerden op |
| zij | flikkeren op | flikkerden op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| flikker op | gebiedende wijs |
| flikkerde op | verleden tijd |
| is opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te flikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen flikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal flikkeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou flikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden flikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt flikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen flikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen flikkeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult flikkeren | bijzin, toekomende tijd |
| opflikker | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opflikkerde | bijzin, verleden tijd |
| opflikkerden | bijzin, verleden tijd |
| opflikkerend | onvoltooid, deelwoord |
| opflikkert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgeflikkerd | verleden tijd, deelwoord |
| opgeflikkerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeflikkerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn opgeflikkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opflikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeflikkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opflikkeren | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgeflikkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeflikkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opflikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opflikkeren op zou(dt) flikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opflikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opflikkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeflikkerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opflikkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opflikkeren | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opflikkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opflikkeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeflikkerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opflikkeren op zult/zal flikkeren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en flikkeren
Woordfamilie van opflikkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flikker op | gebiedende wijs | opflikkeren |
| flikkerde op | verleden tijd | opflikkeren |
| flikkerden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opflikkeren |
| flikkere op | woordvorm | opflikkeren |
| flikkeren op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opflikkeren |
| flikkert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opflikkeren |
| opflikker | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opflikkeren |
| opflikkerde | subordinate-clause, verleden tijd | opflikkeren |
| opflikkerden | subordinate-clause, verleden tijd | opflikkeren |
| opflikkere | with-subordinate-clause | opflikkeren |
| opflikkerend | onvoltooid deelwoord | opflikkeren |
| opflikkerende | woordvorm | opflikkeren |
| opflikkert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opflikkeren |
| opgeflikkerd | voltooid deelwoord | opflikkeren |
| opgeflikkerde | woordvorm | opflikkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opflikkeren zijn vastgelegd.