opdraaien
werkwoordBetekenis
- een weg, baan ~ met in draaiende beweging een weg oprijden
- ~ voor aangewezen worden om de kosten te betalen
- iets ~ een mechanische veer draaiend in gespannen staat brengen
- er ~ met een draaiende beweging iets ergens op bevestigen
Vervoeging van opdraaien
opdraaienhele werkwoord — draaide opverleden tijd enkelvoud — draaiden opverleden tijd meervoud — opgedraaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draai op | draaide op |
| jij | draait op | draaide op |
| hij, zij, het | draait op | draaide op |
| wij | draaien op | draaiden op |
| jullie | draaien op | draaiden op |
| zij | draaien op | draaiden op |
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| draai op | gebiedende wijs |
| draaide op | verleden tijd |
| er is opgedraaid | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was opgedraaid | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd opgedraaid | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt opgedraaid | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgedraaid worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgedraaid zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou opgedraaid worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou opgedraaid zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben opgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te draaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal draaien | bijzin, toekomende tijd |
| op zou draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen draaien | bijzin, toekomende tijd |
| op zult draaien | bijzin, toekomende tijd |
| opdraai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdraaide | bijzin, verleden tijd |
| opdraaiden | bijzin, verleden tijd |
| opdraaiend | onvoltooid, deelwoord |
| opdraait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgedraaid | verleden tijd, deelwoord |
| opgedraaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedraaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedraaid te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedraaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedraaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedraaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedraaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedraaid zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedraaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedraaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben/zijn opgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opdraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgedraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opdraaien op zou(dt) draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opdraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgedraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opdraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opdraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opdraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgedraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgedraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opdraaien op zult/zal draaien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en draaien
Woordfamilie van opdraaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draai op | gebiedende wijs | opdraaien |
| draaide op | verleden tijd | opdraaien |
| draaiden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opdraaien |
| draaie op | woordvorm | opdraaien |
| draaien op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opdraaien |
| draait op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opdraaien |
| opdraai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdraaien |
| opdraaide | subordinate-clause, verleden tijd | opdraaien |
| opdraaiden | subordinate-clause, verleden tijd | opdraaien |
| opdraaie | with-subordinate-clause | opdraaien |
| opdraaiend | onvoltooid deelwoord | opdraaien |
| opdraaiende | woordvorm | opdraaien |
| opdraait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdraaien |
| opgedraaid | voltooid deelwoord | opdraaien |
| opgedraaide | woordvorm | opdraaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdraaien zijn vastgelegd.