Naar de inhoud

opdraaien

een weg, baan ~ met in draaiende beweging een weg oprijden

opdraaien

werkwoord

Betekenis

  1. een weg, baan ~ met in draaiende beweging een weg oprijden
  2. ~ voor aangewezen worden om de kosten te betalen
  3. iets ~ een mechanische veer draaiend in gespannen staat brengen
  4. er ~ met een draaiende beweging iets ergens op bevestigen

Vervoeging van opdraaien

opdraaienhele werkwoord — draaide opverleden tijd enkelvoud — draaiden opverleden tijd meervoud — opgedraaidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik draai op draaide op
jij draait op draaide op
hij, zij, het draait op draaide op
wij draaien op draaiden op
jullie draaien op draaiden op
zij draaien op draaiden op
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
draai op gebiedende wijs
draaide op verleden tijd
er is opgedraaid impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was opgedraaid impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd opgedraaid impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt opgedraaid impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgedraaid worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgedraaid zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou opgedraaid worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou opgedraaid zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben opgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te draaien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen draaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal draaien bijzin, toekomende tijd
op zou draaien bijzin, voorwaardelijk
op zouden draaien bijzin, voorwaardelijk
op zoudt draaien bijzin, voorwaardelijk
op zullen draaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen draaien bijzin, toekomende tijd
op zult draaien bijzin, toekomende tijd
opdraai bijzin, tegenwoordige tijd
opdraaide bijzin, verleden tijd
opdraaiden bijzin, verleden tijd
opdraaiend onvoltooid, deelwoord
opdraait bijzin, tegenwoordige tijd
opgedraaid verleden tijd, deelwoord
opgedraaid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedraaid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedraaid te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedraaid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedraaid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedraaid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedraaid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedraaid zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedraaid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedraaid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben/zijn opgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdraaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgedraaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgedraaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgedraaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgedraaid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdraaien bijzin, toekomende tijd
zal opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgedraaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgedraaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opdraaien bijzin, voorwaardelijk
zou opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opdraaien op zou(dt) draaien bijzin, voorwaardelijk
zouden opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opdraaien bijzin, voorwaardelijk
zouden opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opdraaien bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgedraaid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opdraaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opdraaien bijzin, toekomende tijd
zullen opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opdraaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opdraaien bijzin, toekomende tijd
zult opgedraaid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgedraaid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opdraaien op zult/zal draaien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en draaien

Woordfamilie van opdraaien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
draai op gebiedende wijs opdraaien
draaide op verleden tijd opdraaien
draaiden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdraaien
draaie op woordvorm opdraaien
draaien op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdraaien
draait op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdraaien
opdraai subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdraaien
opdraaide subordinate-clause, verleden tijd opdraaien
opdraaiden subordinate-clause, verleden tijd opdraaien
opdraaie with-subordinate-clause opdraaien
opdraaiend onvoltooid deelwoord opdraaien
opdraaiende woordvorm opdraaien
opdraait subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdraaien
opgedraaid voltooid deelwoord opdraaien
opgedraaide woordvorm opdraaien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdraaien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opdraaien

Wat betekent opdraaien?
Opdraaien is een werkwoord. Het woord betekent: een weg, baan ~ met in draaiende beweging een weg oprijden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opdraaien?
Je vervoegt opdraaien als volgt: het voltooid deelwoord is opgedraaid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdraaien is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. A 1
  7. I 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdraaien levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. A 1
  7. I 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdraaien in het kort

opdraaien staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opdraaien zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opdraaien bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opdraaien: een weg, baan ~ met in draaiende beweging een weg oprijden
Deel opdraaien — standaardnederlands.nl