Naar de inhoud

opdoen

op de huid aanbrengen

opdoen

werkwoord

Betekenis

  1. op de huid aanbrengen
  2. verkrijgen

Vervoeging van opdoen

opdoenhele werkwoord — deed opverleden tijd enkelvoud — deden opverleden tijd meervoud — opgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe op deed op
jij doet op deed op
hij, zij, het doet op deed op
wij doen op deden op
jullie doen op deden op
zij doen op deden op
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
deed op verleden tijd
doe op gebiedende wijs
er is opgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal doen bijzin, toekomende tijd
op zou doen bijzin, voorwaardelijk
op zouden doen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
op zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen doen bijzin, toekomende tijd
op zult doen bijzin, toekomende tijd
opdeden bijzin, verleden tijd
opdeed bijzin, verleden tijd
opdeedt bijzin, verleden tijd
opdoe bijzin, tegenwoordige tijd
opdoend onvoltooid, deelwoord
opdoet bijzin, tegenwoordige tijd
opgedaan verleden tijd, deelwoord
opgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdoen bijzin, toekomende tijd
zal opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opdoen bijzin, voorwaardelijk
zou opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opdoen op zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opdoen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opdoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opdoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opdoen bijzin, toekomende tijd
zullen opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opdoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opdoen bijzin, toekomende tijd
zult opgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opdoen op zult/zal doen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en doen

Woordfamilie van opdoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdoen
deed op verleden tijd opdoen
doe op gebiedende wijs opdoen
doen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdoen
doet op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdoen
opdeden subordinate-clause, verleden tijd opdoen
opdeed subordinate-clause, verleden tijd opdoen
opdoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdoen
opdoend onvoltooid deelwoord opdoen
opdoende woordvorm opdoen
opdoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opdoen

Wat is de betekenis van opdoen?
Opdoen is een werkwoord. De betekenis is: op de huid aanbrengen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opdoen?
Zo vervoeg je opdoen zo: het voltooid deelwoord is opgedaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdoen is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdoen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdoen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opdoen in het kort

opdoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opdoen staan er 55 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opdoen bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opdoen: op de huid aanbrengen
Deel opdoen — standaardnederlands.nl