opdoen
werkwoordBetekenis
- op de huid aanbrengen
- verkrijgen
Vervoeging van opdoen
opdoenhele werkwoord — deed opverleden tijd enkelvoud — deden opverleden tijd meervoud — opgedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe op | deed op |
| jij | doet op | deed op |
| hij, zij, het | doet op | deed op |
| wij | doen op | deden op |
| jullie | doen op | deden op |
| zij | doen op | deden op |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deed op | verleden tijd |
| doe op | gebiedende wijs |
| er is opgedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgedaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgedaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgedaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgedaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgedaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgedaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| opdeden | bijzin, verleden tijd |
| opdeed | bijzin, verleden tijd |
| opdeedt | bijzin, verleden tijd |
| opdoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdoend | onvoltooid, deelwoord |
| opdoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgedaan | verleden tijd, deelwoord |
| opgedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opdoen op zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opdoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opdoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opdoen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opdoen op zult/zal doen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en doen
Woordfamilie van opdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opdoen |
| deed op | verleden tijd | opdoen |
| doe op | gebiedende wijs | opdoen |
| doen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opdoen |
| doet op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opdoen |
| opdeden | subordinate-clause, verleden tijd | opdoen |
| opdeed | subordinate-clause, verleden tijd | opdoen |
| opdoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdoen |
| opdoend | onvoltooid deelwoord | opdoen |
| opdoende | woordvorm | opdoen |
| opdoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdoen zijn vastgelegd.