Naar de inhoud

opdoemen

(vanuit het duister of de mist) geleidelijk zichtbaar worden

opdoemen

werkwoord

Betekenis

  1. (vanuit het duister of de mist) geleidelijk zichtbaar worden

werkwoord

  1. geleidelijk zichtbaar worden ergative

Vervoeging van opdoemen

opdoemenhele werkwoord — doemde opverleden tijd enkelvoud — doemden opverleden tijd meervoud — opgedoemdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doem op doemde op
jij doemt op doemde op
hij, zij, het doemt op doemde op
wij doemen op doemden op
jullie doemen op doemden op
zij doemen op doemden op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
doem op gebiedende wijs
doemde op verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te doemen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen doemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal doemen bijzin, toekomende tijd
op zou doemen bijzin, voorwaardelijk
op zouden doemen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt doemen bijzin, voorwaardelijk
op zullen doemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen doemen bijzin, toekomende tijd
op zult doemen bijzin, toekomende tijd
opdoem bijzin, tegenwoordige tijd
opdoemde bijzin, verleden tijd
opdoemden bijzin, verleden tijd
opdoemend onvoltooid, deelwoord
opdoemt bijzin, tegenwoordige tijd
opgedoemd verleden tijd, deelwoord
opgedoemd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedoemd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te zijn opgedoemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdoemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgedoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedoemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgedoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedoemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgedoemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgedoemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgedoemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdoemen bijzin, toekomende tijd
zal opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgedoemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgedoemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opdoemen bijzin, voorwaardelijk
zou opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opdoemen op zou(dt) doemen bijzin, voorwaardelijk
zouden opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opdoemen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opdoemen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgedoemd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opdoemen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opdoemen bijzin, toekomende tijd
zullen opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opdoemen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opdoemen bijzin, toekomende tijd
zult opgedoemd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opdoemen op zult/zal doemen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘aan de horizon zichtbaar worden’ voor het eerst aangetroffen in 1696

Woordfamilie van opdoemen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doem op gebiedende wijs opdoemen
doemde op verleden tijd opdoemen
doemden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdoemen
doeme op woordvorm opdoemen
doemen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdoemen
doemt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdoemen
opdoem subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdoemen
opdoemde subordinate-clause, verleden tijd opdoemen
opdoemden subordinate-clause, verleden tijd opdoemen
opdoeme with-subordinate-clause opdoemen
opdoemend onvoltooid deelwoord opdoemen
opdoemende woordvorm opdoemen
opdoemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdoemen
opgedoemd voltooid deelwoord opdoemen
opgedoemde woordvorm opdoemen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdoemen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opdoemen

Wat betekent opdoemen?
Opdoemen is een werkwoord. Het woord betekent: (vanuit het duister of de mist) geleidelijk zichtbaar worden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opdoemen?
Je vervoegt opdoemen als volgt: het voltooid deelwoord is opgedoemd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdoemen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdoemen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdoemen in het kort

opdoemen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opdoemen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opdoemen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opdoemen: (vanuit het duister of de mist) geleidelijk zichtbaar worden
Deel opdoemen — standaardnederlands.nl