Naar de inhoud

ontzeggen

iemand iets ~: een toelating weigeren of intrekken

ontzeggen

werkwoord

Betekenis

  1. iemand iets ~: een toelating weigeren of intrekken
  2. zich ~ afzien van het genot of gebruik van iets

Vervoeging van ontzeggen

ontzeggenhele werkwoord — ontzegdeverleden tijd enkelvoud — ontzegdenverleden tijd meervoud — ontzegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontzeg ontzegde
jij ontzegt ontzegde
hij, zij, het ontzegt ontzegde
wij ontzeggen ontzegden
jullie ontzeggen ontzegden
zij ontzeggen ontzegden
Alle 171 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontzegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontzegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontzegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontzegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontzegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontzegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontzegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontzegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontzegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontzegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontzegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontzegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontzegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontzegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontzegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontzegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontzeg gebiedende wijs
ontzeg me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontzeg u/je , ontzegt je gebiedende wijs
ontzegd verleden tijd, deelwoord
ontzegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontzegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontzegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontzegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontzegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontzegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontzegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontzegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontzegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontzegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontzegde eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzegde verleden tijd
ontzegde tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontzegde tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontzegde tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzegde derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzegden eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontzegden tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontzegden derde persoon, verleden tijd, meervoud
ontzegge aanvoegende wijs
ontzegge zich aanvoegende wijs
ontzeggen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontzeggen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontzeggen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontzeggend onvoltooid, deelwoord
ontzegt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontzegt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzegt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontzegt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontzegt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzegt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontzei verleden tijd
ontzei je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzei me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzei u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontzei u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontzei zich tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontzei zich tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontzei zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontzeiden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontzeiden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontzeiden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben ontzegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontzeggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
waart ontzegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontzegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontzegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontzegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontzegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontzegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontzegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontzegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontzegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontzegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontzegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontzegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontzegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontzegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ontzeggen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontzegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontzegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontzegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontzegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontzegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontzeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontzeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontzeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich ontzeggen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontzeggen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontzegd hebben verleden tijd
zich ontzeggend onvoltooid, deelwoord
zijn ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontzegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontzegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontzegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontzegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontzegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontzegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontzegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontzeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontzeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontzeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden ontzegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontzegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontzegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontzegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontzegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontzegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontzegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon

Herkomst

Afgeleid van zeggen met het voorvoegsel ont-

Woordfamilie van ontzeggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontzeg gebiedende wijs ontzeggen
ontzegd voltooid deelwoord ontzeggen
ontzegde verleden tijd ontzeggen
ontzegden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontzeggen
ontzegge aanvoegende wijs ontzeggen
ontzeggend onvoltooid deelwoord ontzeggen
ontzeggende woordvorm ontzeggen
ontzegt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontzeggen
ontzei verleden tijd ontzeggen
ontzeiden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontzeggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzeggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontzeggen

Wat is de betekenis van ontzeggen?
Ontzeggen is een werkwoord. De betekenis is: iemand iets ~: een toelating weigeren of intrekken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontzeggen?
Zo vervoeg je ontzeggen zo: de tegenwoordige tijd is ontzeg, de verleden tijd is ontzegde en het voltooid deelwoord is ontzegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontzeggen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. Z 4
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontzeggen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. Z 5
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontzeggen in het kort

ontzeggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontzeggen staan er 106 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontzeggen bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontzeggen: iemand iets ~: een toelating weigeren of intrekken
Deel ontzeggen — standaardnederlands.nl