ontzeggen
werkwoordBetekenis
- iemand iets ~: een toelating weigeren of intrekken
- zich ~ afzien van het genot of gebruik van iets
Vervoeging van ontzeggen
ontzeggenhele werkwoord — ontzegdeverleden tijd enkelvoud — ontzegdenverleden tijd meervoud — ontzegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontzeg | ontzegde |
| jij | ontzegt | ontzegde |
| hij, zij, het | ontzegt | ontzegde |
| wij | ontzeggen | ontzegden |
| jullie | ontzeggen | ontzegden |
| zij | ontzeggen | ontzegden |
Alle 171 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontzegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontzegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontzegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontzegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontzegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontzegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontzegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontzegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontzegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontzegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontzegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontzegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontzeg | gebiedende wijs |
| ontzeg me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontzeg u/je , ontzegt je | gebiedende wijs |
| ontzegd | verleden tijd, deelwoord |
| ontzegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontzegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontzegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontzegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontzegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzegde | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzegde | verleden tijd |
| ontzegde | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontzegde | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzegde | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzegde | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzegden | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzegden | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzegden | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzegge | aanvoegende wijs |
| ontzegge zich | aanvoegende wijs |
| ontzeggen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontzeggen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontzeggen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontzeggend | onvoltooid, deelwoord |
| ontzegt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontzegt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzegt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontzegt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontzegt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzegt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontzei | verleden tijd |
| ontzei je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzei me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzei u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontzei u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzei zich | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontzei zich | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzei zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontzeiden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzeiden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontzeiden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben ontzegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| waart ontzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontzegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontzegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontzegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontzegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontzegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontzeggen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontzegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontzegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich ontzeggen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontzeggen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontzegd hebben | verleden tijd |
| zich ontzeggend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontzegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontzegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
Herkomst
Afgeleid van zeggen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontzeggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontzeg | gebiedende wijs | ontzeggen |
| ontzegd | voltooid deelwoord | ontzeggen |
| ontzegde | verleden tijd | ontzeggen |
| ontzegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontzeggen |
| ontzegge | aanvoegende wijs | ontzeggen |
| ontzeggend | onvoltooid deelwoord | ontzeggen |
| ontzeggende | woordvorm | ontzeggen |
| ontzegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontzeggen |
| ontzei | verleden tijd | ontzeggen |
| ontzeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontzeggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzeggen zijn vastgelegd.