ontvlammen
werkwoordBetekenis
- vlam vatten
- in gemoedsbeweging geraken
Vervoeging van ontvlammen
ontvlammenhele werkwoord — ontvlamdeverleden tijd enkelvoud — ontvlamdenverleden tijd meervoud — ontvlamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontvlam | ontvlamde |
| jij | ontvlamt | ontvlamde |
| hij, zij, het | ontvlamt | ontvlamde |
| wij | ontvlammen | ontvlamden |
| jullie | ontvlammen | ontvlamden |
| zij | ontvlammen | ontvlamden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontvlamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontvlamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontvlamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontvlamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontvlamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontvlamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontvlamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvlamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvlamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvlam | gebiedende wijs |
| ontvlamd | verleden tijd, deelwoord |
| ontvlamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvlamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvlamde | verleden tijd |
| ontvlamme | aanvoegende wijs |
| ontvlammend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontvlamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontvlammen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvlammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontvlamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontvlammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontvlamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontvlammen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vlammen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontvlammen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontvlam | gebiedende wijs | ontvlammen |
| ontvlamd | voltooid deelwoord | ontvlammen |
| ontvlamde | verleden tijd | ontvlammen |
| ontvlamden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontvlammen |
| ontvlamme | aanvoegende wijs | ontvlammen |
| ontvlammend | onvoltooid deelwoord | ontvlammen |
| ontvlammende | woordvorm | ontvlammen |
| ontvlamt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontvlammen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontvlammen zijn vastgelegd.