ontstijgen
werkwoordBetekenis
- iets overtreffen, meer of beter worden dan iets
- voorbij de grenzen van iets gaan
Vervoeging van ontstijgen
ontstijgenhele werkwoord — ontsteegverleden tijd enkelvoud — ontstegenverleden tijd meervoud — ontstegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontstijg | ontsteeg |
| jij | ontstijgt | ontsteeg |
| hij, zij, het | ontstijgt | ontsteeg |
| wij | ontstijgen | ontstegen |
| jullie | ontstijgen | ontstegen |
| zij | ontstijgen | ontstegen |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is ontstegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontstegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontstegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontstegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontstegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontstegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontstegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontstegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontstegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontstegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontstegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontstegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontstegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontstegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontstegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontstegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsteeg | verleden tijd |
| ontstegen | verleden tijd, deelwoord |
| ontstegen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontstegen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontstegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontstegen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontstegen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontstegen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontstegen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontstegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontstegen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontstegen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontstijg | gebiedende wijs |
| ontstijge | aanvoegende wijs |
| ontstijgend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontstegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontstijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontstijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren ontstegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontstegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontstegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden ontstegen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden ontstegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontstegen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontstegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontstegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontstegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontstegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontstegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontstegen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontstegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontstegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontstegen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontstegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontstijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontstegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van stijgen met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontstijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsteeg | verleden tijd | ontstijgen |
| ontstegen | voltooid deelwoord | ontstijgen |
| ontstijg | gebiedende wijs | ontstijgen |
| ontstijge | aanvoegende wijs | ontstijgen |
| ontstijgend | onvoltooid deelwoord | ontstijgen |
| ontstijgende | woordvorm | ontstijgen |
| ontstijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontstijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontstijgen zijn vastgelegd.