ontkleuren
werkwoordBetekenis
- de kleur doen verdwijnen
Vervoeging van ontkleuren
ontkleurenhele werkwoord — ontkleurdeverleden tijd enkelvoud — ontkleurdenverleden tijd meervoud — ontkleurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontkleur | ontkleurde |
| jij | ontkleurt | ontkleurde |
| hij, zij, het | ontkleurt | ontkleurde |
| wij | ontkleuren | ontkleurden |
| jullie | ontkleuren | ontkleurden |
| zij | ontkleuren | ontkleurden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontkleurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontkleurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontkleurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontkleurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontkleurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontkleurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontkleurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontkleurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontkleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontkleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontkleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontkleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontkleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontkleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontkleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontkleurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontkleur | gebiedende wijs |
| ontkleurd | verleden tijd, deelwoord |
| ontkleurd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontkleurd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontkleurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkleurd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkleurd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkleurd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontkleurd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontkleurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkleurd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkleurd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkleurde | verleden tijd |
| ontkleure | aanvoegende wijs |
| ontkleurend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontkleurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontkleuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontkleuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontkleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontkleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontkleurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontkleurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontkleurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontkleurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontkleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontkleurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontkleurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkleurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontkleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontkleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontkleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontkleuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontkleurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontkleurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontkleurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontkleuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van kleuren met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontkleuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontkleur | gebiedende wijs | ontkleuren |
| ontkleurd | voltooid deelwoord | ontkleuren |
| ontkleurde | verleden tijd | ontkleuren |
| ontkleurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontkleuren |
| ontkleure | aanvoegende wijs | ontkleuren |
| ontkleurend | onvoltooid deelwoord | ontkleuren |
| ontkleurende | woordvorm | ontkleuren |
| ontkleurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontkleuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontkleuren zijn vastgelegd.