ontginnen
werkwoordBetekenis
- een wildernis geschikt maken voor landbouw
- geschikt maken voor exploitatie
Vervoeging van ontginnen
ontginnenhele werkwoord — ontgonverleden tijd enkelvoud — ontgonnenverleden tijd meervoud — ontgonnenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontgin | ontgon |
| jij | ontgint | ontgon |
| hij, zij, het | ontgint | ontgon |
| wij | ontginnen | ontgonnen |
| jullie | ontginnen | ontgonnen |
| zij | ontginnen | ontgonnen |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is ontgonnen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontgonnen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontgonnen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontgonnen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontgonnen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontgonnen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontgonnen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontgonnen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontgonnen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontgonnen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontgonnen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontgonnen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontgonnen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontgonnen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontgonnen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgonnen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontgin | gebiedende wijs |
| ontginne | aanvoegende wijs |
| ontginnend | onvoltooid, deelwoord |
| ontgon | verleden tijd |
| ontgonnen | verleden tijd, deelwoord |
| ontgonnen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgonnen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgonnen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgonnen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgonnen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgonnen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgonnen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgonnen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgonnen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgonnen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ontgonnen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontginnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontginnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren ontgonnen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontgonnen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontgonnen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden ontgonnen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden ontgonnen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontgonnen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontgonnen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontgonnen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontgonnen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontgonnen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontgonnen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgonnen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgonnen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontgonnen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontginnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgonnen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgonnen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontginnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontgonnen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bebouwbaar maken’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van ontginnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontgin | gebiedende wijs | ontginnen |
| ontginne | aanvoegende wijs | ontginnen |
| ontginnend | onvoltooid deelwoord | ontginnen |
| ontginnende | woordvorm | ontginnen |
| ontgint | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontginnen |
| ontgon | verleden tijd | ontginnen |
| ontgonnen | voltooid deelwoord | ontginnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontginnen zijn vastgelegd.