Naar de inhoud

ontbladeren

(een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen

ontbladeren

werkwoord ɔndˈbladərə(n)

Betekenis

  1. (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen

Hoe spreek je ontbladeren uit?

/ɔndˈbladərən/

Ontbladeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔndˈbladərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
d dak
b bak
l land
a maan
ə de
r rood
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. van de bladeren ontdoen transitive

Vervoeging van ontbladeren

ontbladerenhele werkwoord — ontbladerdeverleden tijd enkelvoud — ontbladerdenverleden tijd meervoud — ontbladerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontblader ontbladerde
jij ontbladert ontbladerde
hij, zij, het ontbladert ontbladerde
wij ontbladeren ontbladerden
jullie ontbladeren ontbladerden
zij ontbladeren ontbladerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontbladerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontbladerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontbladerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontbladerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontbladerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontbladerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontbladerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontbladerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontbladerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontbladerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontbladerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontbladerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontbladerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontbladerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontbladerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontbladerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontblader gebiedende wijs
ontbladerd verleden tijd, deelwoord
ontbladerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontbladerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontbladerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontbladerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontbladerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontbladerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontbladerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontbladerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontbladerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontbladerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontbladerde verleden tijd
ontbladere aanvoegende wijs
ontbladerend onvoltooid, deelwoord
te hebben ontbladerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontbladeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontbladeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontbladerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontbladerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontbladerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontbladerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontbladerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontbladerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontbladerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontbladerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontbladerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontbladerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontbladerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt ontbladerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontbladerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontbladerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontbladerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontbladerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontbladeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult ontbladerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontbladerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontbladerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontbladeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van blad met het voorvoegsel ont- en een infinitiefuitgang.

Woordfamilie van ontbladeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontblader gebiedende wijs ontbladeren
ontbladerd voltooid deelwoord ontbladeren
ontbladerde verleden tijd ontbladeren
ontbladerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontbladeren
ontbladere aanvoegende wijs ontbladeren
ontbladerend onvoltooid deelwoord ontbladeren
ontbladerende woordvorm ontbladeren
ontbladert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontbladeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbladeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontbladeren

Hoe spreek ik ontbladeren uit?
Zo spreek je ontbladeren uit: /ɔndˈbladərə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van ontbladeren?
Ontbladeren is een werkwoord. De betekenis is: (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontbladeren?
Zo vervoeg je ontbladeren zo: de tegenwoordige tijd is ontblader, de verleden tijd is ontbladerde en het voltooid deelwoord is ontbladerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontbladeren?

Er staan 4 woorden in dit woordenboek die op ontbladeren rijmen, waaronder benaderen, bladeren en raderen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontbladeren, uitspraak ɔndˈbladərən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
benaderen 4
bladeren 3
raderen 3
vaderen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontbladeren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. L 3
  6. A 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontbladeren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. B 4
  5. L 3
  6. A 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontbladeren in het kort

ontbladeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontbladeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontbladeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontbladeren: (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen
Deel ontbladeren — standaardnederlands.nl